Satyr
Tragopan.
Kenmerken: De haan heeft een zwarte bovenkop en een rode band aan de beide zijden van de kuif, de zijden van de nek, de bovenrug, het bovenste deel van de borst zijn diep rood, de onderzijde is rood met zwarte en witte ronde vlekken, die naar de buik toe groter en grijzer worden, de onderstaartdekveren zijn rood met witte bruin omrande vlekken en zwarte veer-
Zomen. De rug, staart en vleugels zijn bruin,
overdekt met kleine zwarte, rode, olijfgroene en witte vlekken. Het oog is
bruin, de snavel zwart, de naakte
huidlap is blauw, aan de randen blauwgroen met vier rode vlekken aan iedere
kant, de naakte keel is donkerblauw. De vlezige hoorns op de kop zijn blauw, de
poten zijn roze. De lengte bedraagt ongeveer 70 cm.
De hen is aan de bovenzijde rossig bruin, met
bleekgele en zwarte tekening, de staart is bruin met onregelmatige zwarte en
creme tekening, de kin en keel zijn geelbruin met zwarte tekening. De onderkant
is lichter van kleur, de onderbuik is vuilwit,
De naakte ooghuid is blauw, de poten zijn
grijswit. De lengte bedraagt 57 cm.
Jonge mannen zijn in het eerste jaar te herkennen
aan het rood dat op de borst en de nek te voorschijn komt en aan de
Zwarte kop. Ze staan ook hoger op de poten dan de
jonge hennen.

Verzorging: Een ruime voliere met een afdak naar
het oosten gericht, liefst schaduwrijk gelegen, kan een verblijf voor een paar
of trio vormen. De voliere moet met stevige struiken en kleine bomen beplant
zijn, omdat de vogels graag op takken klimmen. De afmetingen kunnen niet groot
genoeg zijn. Goede broedresultaten worden verkregen met geleewiekte vogels, die
in een groot omheind terrein met gras kunnen rondlopen samen met andere
siervogels.
Tragopanen worden bijzonder tam en aanhankelijk.
Over de juiste voeding lopen de meningen nogal uiteen, maar afwisseling in
groenvoer en vooral diverse kruiden houden de vogels in goede conditie. Van de
graansoorten moeten de volgende gegeven worden: boekweit, tarwe, gerst, gepelde
haver en wat hennep en zo nu en dan wat mais. De laatste twee soorten in kleine
hoeveelheden daar ze vetafzetting bevorderen. Ook vruchten en bessen mogen niet
ontbreken, zomin als insekten , wormen en meelwormen. Een paar maal per week
moet men zachtvoer maken, het beste een fazantenvoer, waarin vitamines en
levertraan opgenomen zijn. De volierebodem moet goed gedraineerd zijn, want
vocht is slecht voor deze vogels.

Haan, hen en jong
De roeststok plaatst men hoog onder het afdak, dat
bescherming moet bieden tegen storm en regen. De hen legt haar eieren in een mand,
die op de grond geplaatst wordt, of die laag in een struik wordt aangebracht.
Ze legt per seizoen drie of viermaal vier tot zes eieren, als men ze tenminste
dadelijk wegneemt. Het laatste legsel kan men haar laten uitbroeden, de andere
eieren worden in een broedmachine of onder een krielkip uitgebroed. De
broedtijd bedraagt 28 dagen. De eieren worden om de andere dag gelegd. Als de
jongen uitkomen moeten ze 48 uur zonder voedsel blijven, wel moeten ze na 12
uur iets drinken. Bij het opfokken moeten de eerste dagen brood met melk en
insekten worden gegeven, miereneieren en kleien wormen en naakte rupsen, later
veel klein gehakt groenvoer. Men moet het voer niet laten staan, ze moeten er
aan wennen de juiste hoeveelheid achter elkaar te eten en daarna moeten ze weer
rusten onder de kloek of warmtelamp. Het eerste hardvoer dat de jongen mogen
eten is een mengsel van geplette hennep, gebroken en gepelde haver en tarwe. De
eerste 8 dagen moet men oppassen voor indigestie. De jonge dieren moeten de
eerste winter gedurende strenge vorst in een binnenverblijf gehouden worden. Ze
kunnen een jaar lang samen gehouden worden daar ze pas in het tweede jaar op
kleur komen en teelbaar zijn.
Sommige Tragopanen broeden reeds in het eerst
volgende seizoen.

Haan