Lady Amherst-fazant
Herkomst: Zuidwest-China, Birma
Kenmerken: De volwassen haan heeft een
glanzend-groene bovenkop en voorhoofd. De kuif van zes centimeter is op de
achterkop geplaatst, is smal en donkerrood van kleur. De kraag bestaat uit verlengde
veren met brede punten, die wit zijn met zwarte punten en een zwarte
dwarsstreep. De schouderveren en het voorste deel van de rug zijn donkergroen
met zwarte zomen langs de veren. Het achterste gedeelte van de rug is goudgeel.
De vleugels zijn bruinachtig zwart met een staalblauwe glans. De stuit en
bovenstaartdekveren zijn scharlakenrood, vaak met een witachtige band en met
verschillende kleurtekening, de verlengde bovenstaartdekveren zijn wit met
blauwzwarte vlekken en strepen. Het gezicht, de kin en keel zijn bruinachtig
zwart, om het oog is een groenachtig bruine, naakte huidlap. De krop is
donkergroen-blauw glanzend met zwarte veerranden. De buik en borst zijn wit. De
onderstaartdekveren zijn zwart. Het oog is geel, de snavel groen en de poten
zijn blauwachtig hoornkleurig. De totale lengte bedraagt 1.40-1.70 m., waarvan
90-110 cm. door de staart wordt ingenomen.

De volwassen hen heeft
een roodbruin voorhoofd met zwarte vlekken. De bovenkop is zwart en roodbruin
gestreept, terwijl de stuit fijne gebogen zwarte streepjes op een roodbruine
ondergrond vertoont. De tekening op de vleugels is zwart en roodbruin. De
teugels zijn wit, de oorstreek is witachtig met dunne zwarte streeptekening. De
keel en kin zijn witachtig met roestkleurige veeruiteinden, de krop is
lichterbruin met zwarte streepjes, de zijden van het lichaam en de buik zijn
wit met een geelachtige waas naar de borst toe. Om het oog is de naakte huidlap
lichtblauw. De lengte bedraagt 98 cm., de staart 32 cm.
Verzorging: Deze fazanten leven in zuidelijker
streken dan Goudfazanten, maar ze leven op grotere hoogte. Beide soorten zijn
dus uitstekend tegen een ruig klimaat bestand en vocht noch kou kan hen deren.
Ze leven voornamelijk van jonge scheuten van kruiden en bamboe, daarnaast eten
ze tal van insekten, wormen en slakken. In een grote voliere, waar ook enige
schaduw is, komen deze vogels altijd tot hun recht. Men kan een haan met drie
of vier hennen samen houden. Als men de vogels kortwiekt kan men ze ook in een
grote tuin vrij rond laten lopen, men moet
natuurlijk
na de rui de slagpennen opnieuw inkorten. Ook kunnen enkele mannen samen
gehouden worden, mits er geen hennen in de buurt zijn, want anders bevechten ze
elkaar op leven en dood. De haan maakt de hen op bijzondere wijze het hof,
waarbij hij zijn kuif opzet en
zijn kraag als een waaier langs die kant van zijn
lichaam spreidt, welke hij naar de hen toekeert. De staart draagt hij stijl
omhoog, wijd open gespreid. Hij loopt zo met korte passen langs de hen en
springt dan plotseling naar de andere kant en begint opnieuw, onder het
uitstoten van fluittonen en klokkende geluiden. Daar de eerste jaren van de
import een veel groter aantal hanen dan hennen is aangekomen en de kwekers er
op uit waren zoveel mogelijk jonge vogels hiervan te fokken, hebben ze hiervoor
hennen van de Goudfazanten gebruikt, nadat gebleken was dat deze kruising niet
alleen gemakkelijk tot stand te brengen was, maar dat de jongen bovendien
vruchtbaar waren. Tengevolge hiervan is
er een groot aantal niet zuiver verervende Lady Amherts-fazanten te vinden.
Iedere liefhebber moet dus trachten aan de hand van de kleurschema’s van deze
schitterende vogels weer tot de oorspronkelijke tekening en kleurencombinatie
terug te keren. De rasonzuivere hennen zijn vaak te herkennen aan het ontbreken
van de dieprode waas die over de kop, keel en het bovenste gedeelte van de
borst behoort te liggen.
De vogels leven van een
dieet van groenvoer en gemengd graan, terwijl ze een zachtvoer tijdens de
opfoktijd van de
jongen
gretig eten, evenals de toevoeging van miereneieren en meelwormen. De dieren
zijn volkomen winterhard, gaan spoedig tot broeden over en brengen hun jongen
meestal goed groot, terwijl men de eerste dertig van de veertig of meer eieren,
die per seizoen worden gelegd, ook heel goed onder een krielkip of in de
broedmachine kan laten uitkomen. De kuikens zijn iets minder gemakkelijk groot
te brengen dan die van de Goudfazant. Hoewel de vogels pas in het tweede
levensjaar geheel op kleur komen, komt het herhaaldelijk voor dat ze reeds in
het eerste jaar,dus als ze nog niet op kleur zijn, teelbaar zijn. Deze fazanten
zijn volkomen winterhard en hebben slechts een overdekt open nachthok nodig.
Gedurende strenge vorst moet een laag stro in dit gedeelte worden gelegd.
