Glansfazant

 

Herkomst: Himalaya gebergte.

Kenmerken: De haan heeft een lange kuif van waaiervormige veren op het midden van de kop, prachtig metaalgroen net als de rest van zijn kop. De mantel is goudgroen, de zijkanten en de achterkant van de nek hebben een roodkoperen glans, de kin en de keel zijn zwart met een metaalgroene weerschijn. De onderzijde is zwart. De rug is wit, de staartveren zijn bruinrood, donkerder aan het uiteinde. Het oog is bruin, de naakte huid om het oog is blauwgroen, de poten zijn groenig geel. De lengte bedraagt 70 cm.De hen is bruinzwart met geelbruine veerzomen en met een uitgebreide tekening. Ze heeft een kleine brede kuif. De rug is geelbruin met bruine vlekken. De kin en keel zijn geelwit.

                                                                                             

Baltsende haan en hen

Verzorging: Deze fazanten leven in het hooggebergte in de open wouden, speciaal in eiken-,berken-, en rhododendronbossen, waar ze op de grasglooiingen naar knollen, bessen, wortels, zaden en jonge loten zoeken. Maar ook eten ze wormen en engerlingen. Bij het grazen maken ze gebruik van poten en snavel.Glansfazanten leven alleen gedurende het broedseizoen paarsgewijs. In de herfst verlaten de hanen de hennen en de jonge vogels. Nesten worden onder boomwortels of onder rotsblokken gemaakt, de hen legt 4 tot 8 eieren crèmewit van kleur en overdekt met roodbruine vlekken.Alle vroegere pogingen om de vogels aan ons klimaat aan te passen zijn mislukt. Alleen in streken waar de bodem al het vocht gemakkelijk opneemt houden ze zich goed in stand. Een paartje moet in een zeer grote volière worden gehouden en gedurende de winter moet het nachtverblijf worden verdeeld, daar de haan dan niet met de hen of de twee hennen samen gehouden kan worden.De haan word in het vroege voorjaar bij de hen geplaatst. Als voedsel eten ze tarwe, boekweit en mais naast grote hoeveelheden groenvoer. In de winter kan men ze andijvie en klein gesneden wortelen geven.

Haan en hen

Vanaf half april moet krachtvoer worden gegeven in de vorm van eivoer en brood.Onder een conifeer of rhododendron maakt men een kuiltje waarin men een kunstei legt. De hennen beginnen spoedig in dit kuiltje te leggen en men neemt de eieren dadelijk weg, totdat er zes gelegd zijn. Deze eieren moeten in een broedmachine of onder een Zijdehoen uitgebroed worden. Het nest wordt na het laatste ei afgedekt gedurende een periode van twaalf dagen. Daarna legt men opnieuw een kunstei in het nest en de hen zal opnieuw een zestal eieren gaan leggen. Na 15 juni worden er geen eieren meer gelegd. De broedtijd bedraagt 27 dagen.De jongen die door een Zijdehoen uitgebroed zijn worden in een kleine ren opgeslotenen pas na een week in een volière gelaten. De eerste dagen worden de jongen gevoerd met broodkruimels, miereneieren en fijngesneden groenvoer.Glansfazanten zoeken ’s nachts het liefst een overdekte slaapplaats op. Het is daarom het beste om een open nachthok aan de volière te bouwen en daarin de zitstokken hoog aan te brengen. De beste bodem om deze fazanten te houden, is een goed doorlatende zandbodem boven een dikke kiezellaag. Men kan de jonge glansfazanten, die uitgebroed zijn door een krielkip, heel goed laten rondlopen met hun pleegmoeder, ze vinden dan voldoende insekten en blijven trouw bij elkaar. Zodra ze zelfstandig gaan worden moet men ze in een volière onderbrengen.

                                                                                             

Hen met kuiken