Protestantse vernieuwing: een joodse visie

A. J. Heschel


De wereld heeft nog nooit een religieus stelsel gekend dat niet op een zeker moment behoefte had aan hervorming. Wij zien dat be?sef van de woorden van de profeten van Isra?l afstralen. De vol?gende suggesties leg ik aan u voor in een geest van respect voor wat in mijn ogen op het spel staat in het religieuze leven van de protestantse gemeenschap. Het is een bemoedigend teken van de vernieuwing van de belangstelling van het protestantisme voor zijn wortels in het jodendom, dat een joodse geleerde gevraagd is om over dit onderwerp te schrijven. Enkele onderwerpen, die ik terloops zal behandelen, raken zowel joden als christenen.

Ik zal schrijven over de situatie die ontstaat door het samen?komen van twee ontwikkelingen: het eeuwenoude proces van ontjoodsing van het christendom en het moderne proces van ontheiliging van de Hebreeuwse bijbel. Vervolgens zal ik de polariteit van mysterie en geschiedenis, en de kwestie van de ontdogmatisering zijdelings behandelen.

ONTJOODSING

In het begin van de geschiedenis van de christelijke Kerk wer?den de verschillen tussen haar en het jodendom doelbewust aangewakkerd. De neiging bestond zichzelf te verstaan, niet in het licht van haar grote schatplichtigheid tegenover het jodendom, maar in contrast met het jodendom. Met het verschijnen en de uitbreiding van het christendom in de Grieks-Romeinse wereld, kre?gen de christenen van niet-joodse origine de overhand in de be?weging. Een voortgaand proces van aanpassing aan de houding van die wereld werd op gang gebracht. Het ge?volg was een bewuste of onbewuste ontjoodsing van het chris?tendom, waardoor zowel de denkwijze van de Kerk en haar in?nerlijke leven als haar relatie tot de vroegere en de huidige werkelijkheid van Isra?l - de vader en de moeder van het wezen van het christendom - werden aangetast. De kinderen stonden niet op om hun moeder gezegend te noemen. In plaats daarvan noemden zij de moeder blind. Sommige theologen blijven zich gedragen alsof zij de betekenis van ?Eer uw vader en uw moe?der? niet kennen. Anderen spreken, in hun ijver om de superio?riteit van de Kerk aan te tonen, alsof zij lijden aan een Oedipuscomplex.

De christelijke boodschap, die in eerste instantie bedoeld was als bekrachtiging en hoogtepunt van het jodendom, ontaardde heel vroeg in verwerping en loochening van het jodendom. Het overbodig worden en de afschaffing van het joodse geloof wer?den overtuiging en leer. Het nieuwe verbond werd niet be?schouwd als een nieuwe fase of een onthulling, maar als af?schaffing en vervanging van het oude. Het theologische denken vormde zijn begrippen in een geest van antithese tegenover het jodendom. Tegenstelling en tegenspraak, en ontkenning van wortels, verwantschap en schatplichtigheid, werden het standpunt: het jodendom was een wettische, op regels gebaseerde godsdienst en het chris?tendom een godsdienst van genade. Het jodendom predikt een wrekende God, het christendom een liefdevolle God. Het joden?dom een godsdienst van onderdanige gehoorzaamheid, het christen?dom de overtuiging van vrije mensen. Het jodendom is op zich?zelf gericht, het christendom op de gehele wereld. Het joden?dom zoekt rechtvaardiging door goede werken, het christen?dom predikt rechtvaardiging door het geloof. De leer van het oude verbond een godsdienst van ontzag, het evangelie van het nieuwe verbond een godsdienst van liefde; een Lohnordnung te?genover een Gnadenordnung.

De Hebreeuwse bijbel is voorbereiding en het evangelie de ver?vulling ervan. In de eerste is onrijpheid, in de tweede volmaaktheid. In de ene vind je een bekrompen stamcultuur, in de andere een alles omvattende barmhartigheid.

Het proces van ontjoodsing in de kerk baande de weg voor het loslaten van de bronnen en voor de vervreemding van de kern van haar boodschap.

Het probleem bij uitstek voor de Kerk is of zij moet zoeken naar wortels in het jodendom en zichzelf beschouwen als een uitbreiding van het jodendom, of dat zij moet zoeken naar wor?tels in het heidense hellenisme en zichzelf moet beschouwen in contrast met het jodendom.

De geestelijke vervreemding van Isra?l komt het krachtigst tot uiting in de leer van Marcion, die de tegengesteldheid en de plotselinge discontinu?teit tussen de God van de Hebreeuwse bijbel en de God die Jezus had geopenbaard, benadrukte. Mar?cion wenste een christendom dat geen zweem jodendom meer in zich had. Hij zag het als zijn taak aan te tonen dat de He?breeuwse bijbel en de evangeli?n volledig tegenover elkaar stonden. Hoewel de Kerk in het jaar 144 van de christelijke jaartelling de apostel van de discontinu?teit excommuniceer?de en zijn leer veroordeelde, blijft Marcion een geweldige be?dreiging, een satanische verleiding. In de hedendaagse christe?lijke gemeenschap is de macht van het marcionisme levendiger en meer verbreid dan vaak wordt beseft.

Ondanks het werk van generaties toegewijde geleerden, die nieuwe wegen gewezen hebben tot een beter begrip van de ge?schiedenis en de literatuur van het oude Isra?l en hun verhouding tot het christendom, bestaat er een voortdurende neiging om de discontinu?teit tussen de Hebreeuwse bijbel en het Nieuwe Testament te beklemtonen. Zo zegt Rudolf Bultmann: ?Voor de christen is het Oude Testament geen openbaring, maar het houdt wezen?lijk verband met Gods openbaring in Christus, zoals honger met voedsel en wanhoop met hoop. [...] De God die tot Isra?l sprak, spreekt niet meer tot ons in de tijd van het nieuwe Ver?bond.?1 Hier is de geestelijke wederopstanding van Marcion. Was de God van Isra?l niet de God van Jezus? Hoe durft een christen zijn eigen concept van God in de plaats te stellen van Jezus? kennis van God en zichzelf nog een christen te noemen?

Wat is de herkomst van het christelijk evangelie? Dit zijn de woorden waarmee het Nieuwe Testament begint: Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham (Matthe?s 1:1). Broeders en zusters, ik wil graag dat u weet dat onze voorouders allemaal door de wolk werden beschermd en allemaal door de zee trokken, dat ze zich allemaal in de naam van Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee. En ze aten allemaal hetzelfde geestelijke voedsel en dronken allemaal dezelfde geestelijke drank (1 Korinti?rs 10:1-3.  Wat die redding inhoudt, trachtten de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die u ten deel zou vallen. Zij probeerden vast te stellen op welke tijd en op welke omstandigheden Christus? Geest, die in hen werkzaam was, doelde toen deze hun zei dat Christus zou lijden en daarna in Gods luister zou delen. Er werd hun geopenbaard dat deze boodschap niet voor henzelf bestemd was maar voor u, en nu is deze boodschap u verkondigd door hen die u het evangelie hebben gebracht, gedreven door de heilige Geest die vanuit de hemel werd gezonden. Het zijn geheimen waarin zelfs engelen graag zouden doordringen (1 Petrus 1:10-12 e.v.).
Maar de krachtige bekoring van de wereld van het hellenisme heeft velen ertoe gebracht de wortels van de christelijke boodschap te zoeken in de door Hellas gestempelde wereld. Hoe vreemd dat God de wieg van Jezus niet in Delphi of ten minste in Athene heeft geplaatst.

Ondanks de aanvaarding van het sola scriptura, dat het had moeten beschermen tegen ontjoodsing, is het protestantisme vaak gezwicht voor een individualistisch, gehelleniseerd con?cept van de christelijke traditie, voor een romantische, al te eenvoudige voorstelling van geloofskwesties en inner?lijkheid, voor panthe?sme en overgevoeligheid. Alleen een ge?wetensvolle toewijding aan de wortels van het christendom in het jodendom zou het voor dergelijke ontsporingen gespaard hebben. Voor de vroege christenen steunde hun geloof dat het woord mens geworden was op de zekerheid dat de Geest woord geworden was. Zij waren ontvankelijk en open voor de wet en de profeten.

In onze dagen bestaat de neiging om de Geest overal te zoe?ken behalve in de woorden van de Hebreeuwse bijbel. Er is geen religio ex nihilo, geen allereerste begin. Er is geen weten?schap zonder vooronderstelling en geen godsdienst zonder uit?eindelijke beslissingen. Een ultieme beslissing voor jood of christen is of deze zich zal verdiepen in de Hebreeuwse bijbel of niet. De toekomst van de westelijke wereld zal afhangen van de wijze waarop wij met de He?breeuwse bijbel omgaan. De mate waarin de christenheid zich met de Hebreeuwse bijbel vereenzelvigt, is een toets zowel voor haar authenticiteit als voor de joodse. Het ontbreken van zo?n inleving is de hoofdoorzaak van de malaise van het protestantisme.

DE ONTHEILIGING VAN DE BIJBEL
Bij het bestuderen van de bijbel brengt de hedendaagse ge?leerde zijn hele persoonlijkheid in, zijn toegenomen kennis van het antieke Nabije Oosten, zijn analytisch vermogen, zijn historisch besef, zijn eerlijke toewijding aan de waarheid, maar ook de bijbehorende kritische houding tegenover bijbelse aanspraken en tradities. Daardoor hebben wij zo veel te zeggen
over de bijbel, dat wij niet bereid zijn te horen wat de bijbel over ons te zeggen heeft. De bijbel is ons niet lief. Lief is ons eigen ver?mogen tot kritische scherpzinnigheid, onze theorie?n over de bijbel. Intellectueel narcisme is een ziekte waar sommigen van ons niet altijd tegen bestand zijn. Het gevoel voor het mysterie en het transcendente, van waar het in de bijbel om draait, gaat bij de analytische werkwijze verloren. Daardoor heeft de ontheiliging van de bijbel kunnen gebeuren.

De fundamentele veronderstelling van veel modern protes?tant onderzoek van de Schrift, dat in hoge mate heeft bijgedra?gen aan ons historisch en theologisch onderscheidingsvermo?gen, is dat men de bijbel moet behandelen als elk ander boek, objectief en onpartijdig. Maar objectiviteit is niet vrij van dubbelzinnigheden. Zij beweert waardevrij te zijn, alhoewel de waardevrije houding zelf al een zekere waardering insluit. Mijn moeder is voor mij wel en niet als elke andere moe?der en de bijbel is voor mij wel en niet als elk ander boek. Een pianist moet musicologie studeren maar wel een kunstenaar blij?ven. De woorden van de bijbel zijn niet van papier gemaakt. Om ze te leren kennen, moet ik ze aan mijn oordeel onderwer?pen. Om ze te leren begrijpen moet ik onder hun oordeel staan.

De Hebreeuwse bijbel wordt aangehaald in preken, maar ontbreekt in de gedachtes. Het geestelijke belang wordt gene?geerd. Zijn denkwijze heeft de hedendaagse mens niet geraakt en is, naar het lijkt, buiten de intellectuele belangstelling van veel hedendaagse theologen gebleven. Wij zien ons geplaatst tegenover een diepgaande vervreemding van de bijbel. De ca?tegorie?n van de profeten zijn onbekend en zonderling gewor?den. Om te geloven, hebben wij God nodig, een ziel en het Woord. Velen die de opvatting van de bijbel als een papieren paus verworpen hebben, hebben een bijbel overgehouden, die ze beschouwen als een verzameling slecht geschreven verhalen op een hoop papier. De bijbel is heiligheid in woorden. Hoe kunnen wij, betrokken bij kritische onderzoeken, het besef van het heilige bewaren? Hoe moeten wij het inzicht laten groeien dat het gezag van de bijbel niet alleen een kwestie van filologie of chronologie is? Meer doorslaggevend dan de dog?matische poging datum en auteurschap van bijbelse documenten te bepalen, is de openheid voor de nabijheid van God in de bijbel. Een dergelijke gevoeligheid wordt niet zo maar verkregen. Zij is de vrucht van krachtige, voortdurende inzet, van betrokkenheid. Zij is het gevolg van bidden, zoeken, verlangen. Waar en hoe wordt de moderne mens ertoe ge?bracht om haar vandaag te zoeken?

Nog zijn de woorden bij ons. De Schrift is wellicht uit onze harten verdwenen. Maar het wonder van een nieuw verbond is mogelijk.

DE POLARITEIT VAN MYSTERIE EN GESCHIEDENIS
Het christelijke evangelie bevat zowel verkondiging als voorlichting: het verkondigt gebeurtenissen - het leven, de dood en de op?standing van Jezus - en het geeft onderricht - leiding, onder?wijs vol van eisen. De gebeurtenissen geven het mysterie weer, waarmee het christelijke bestaan verweven is. In het onder?wijs gaat het over deze wereld en de sfeer van de geschiedenis, waarin het gebod van naastenliefde moet worden vervuld. Het christendom is aan deze polariteit van mysterie en geschiedenis gebonden. Zonder het mysterie zou het een broze veresthetiseerde levensdroom zijn. Zonder de geschiedenis zou het een bovenaardse geestesbeweging zijn. Is het eenvoudig om het juiste evenwicht tussen de twee ongelijk?soortige polen te bewaren? Het lijkt me dat in de geschie?denis van de christelijke kerk de zorg voor het mysterie dikwijls geleid heeft tot terugtrekking uit de geschiedenis en tot verzwakking van de door het onderwijs gestelde eisen.2

Miskenning van de voorrang van het lernen heeft theologen vaak verleid om in de woorden van de profeten een houding van mis?kenning van de thora te lezen. Ik haal een klassiek voorbeeld aan:

De dag zal komen ? spreekt de HEER ? dat ik met het volk van Isra?l en het volk van Juda een nieuw verbond sluit, een ander verbond dan ik met hun voorouders sloot toen ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte weg te leiden. Zij hebben dat verbond verbroken, hoewel ze mij toebehoorden ? spreekt de HEER. Maar dit is het verbond dat ik in de toekomst met Isra?l zal sluiten ? spreekt de HEER: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven. Dan zal ik hun God zijn en zij mijn volk.                            Jeremia 31:31-33

Bedoelde de profeet werkelijk: ?het einde van het vroegere ver?bond van God met zijn volk?? Had Jeremia werkelijk voor ogen: ?innerlijkheid van geloof?, ?een verandering in het men?selijke hart?, ?een persoonlijke verhouding tussen God en volk?? Laten wij voorzichtig zijn met het uitleggen van de profeten aan de hand van onze eigentijdse symboliek.

Ik zal die in hun hart schrijven. Mozes schreef de woorden van het verbond op twee stenen tafelen (Exodus 34:1). Nu wil God het verbond in het hart schrijven. Het hart is de persoon. Wat de profeet lijkt te voorspellen, is niet afschaffing van de thora, maar innerlijke eenwording met haar. Voor het bijbelse ge?moed was niets in de wereld zo heilig als de Tafelen, ze werden geborgen in de Ark. Er zullen dagen komen waarin de mens dit beginsel van beschaving eigen zal worden, waarin de mens thora zal worden.

De scherpe tegenstelling tussen thora (onderricht, wet) en genade, tussen werken en geloof, is een groot verschil met de Hebreeuwse denkwijze. De zorg om persoonlijke ver?lossing heeft, naar het schijnt, de neiging om de openheid voor de geschiedenis, zoals die zich in haar alledaagse en sociale aspecten ontvouwt, te verminderen. Maatschap?pelijke misstanden, zoals die ontstaan in het kielzog van heftige economische, politieke en maatschappelijke gebeurtenissen, schij?nen eerder vrijdenkers te raken en te stimuleren dan het geweten van de gelovigen - een situatie vergelijkbaar met die in het jodendom, wanneer de zorg om het rituele de gevoeligheid voor maatschappelijke kesties zou kunnen verminderen. In de dagen van de bijbel waren de profeten bewogen terwijl de wereld sliep. Van?daag is de wereld bewogen terwijl kerk en synagoge zich druk maken over wissewasjes.

Misschien zou het verlangen naar ?het priesterschap van alle gelovigen? aangevuld moeten worden met een verlangen naar het profeetschap van alle gelovigen.3 De profeten vormen de voorhoede. Zij staan op de voorste rij in de strijd voor de vervulling van de wil van God hier en nu. Het echte heiligdom heeft geen muren. Geest en toewijding moeten levend zijn, zowel in de huizen als in de kerken. Het gehele bestaan van de mens wordt uitgedaagd.

Er moet een einde komen aan de schandalige sentimentaliteit tegenover de goddelijke grandeur, een einde aan de stimulering van de comfortabele zekerheid van verlossing. God is of van het allergrootste gewicht, of van geen gewicht.

Het eerste woord bij Gods benadering van de mens is: Hij hield hem het volgende voor:... (Genesis 2:16). Aller?eerst moeten wij luisteren naar het gebod.

Verkoop verlossing niet al te goedkoop. Laten wij gemakkelijke beslissingen afwijzen en leren beseffen dat een religieus be?staan zwaar is en vol eisen, dat dit bestaan zich aan de rand van de afgrond afspeelt. Maarten Luther moest strijden tegen de aflaathandel. Vandaag de dag  zou hij moeten strijden tegen de epi?demie van gemakzucht.

Het grote beginsel van de Hervorming in de 16e eeuw was dat de kennis van God rechtstreeks en persoonlijk is. Maar onze beschaving is er een van indirecte kennis en depersonalisatie. Er is geen stilte, geen privacy, geen aankweken van onverdeelde aandacht en ontvankelijkheid. Bovendien is geen mens een onbeschreven blad. De kern ?n de wijze van de religieuze ervaring worden ge?kleurd door en zijn afhankelijk van de algehele richting en de complete inhoud van het bestaan. De individuele ontmoeting kan onecht en idolaat zijn. Het gevaar van onechte religiositeit bestaat. Wij kunnen niet alleen op persoonlijk geloof of op ?godsdienstige ervaring? vertrouwen. De individuele ?ontmoe?ting? kan inderdaad een ontmoeting met afgoderij zijn. De in?nige vereniging van het Woord en het geweten leidt tot krachtige inleving, tot vereen?zelviging toe.

ONTDOGMATISERING
De behoefte binnen het protestantisme aan hernieuwd onder?zoek, hervorming en vernieuwing is uitermate sterk. Maar ver?nieuwing moet niet ontaarden tot voorkeur voor een modieuze godsdienst, en haar enige motief mag niet de zorg zijn voor het in standhouden van de Kerk. Vandaag is niet het grootste pro?bleem de Kerk te behouden, maar de mensheid te behouden, bedreigd als zij wordt, niet alleen door de mogelijkheid van een kernramp en/of uitwaaierende conflicten maar ook door de liquidatie van de innerlijke mens.

De problemen waarvoor wij allen staan zijn zowel nieuw als radicaal. Ze zijn zowel religieus als totaal. Wij hebben het stadium van maatschappelijke aanpassing achter ons gelaten en betreden nu het stadium van politieke en intellectuele automa?tisering, gevangen als wij al zijn in glinsterende gemeenplaat?sen. Het gaat niet om de menswording van de Christus. Het gaat om de uitban?ning van God. Voor veel mensen is God een vergeten mythe. Voor velen lijken de woorden van de geloofsbelijdenissen buiten de normen van het hedendaagse gesprek te vallen. Samenle?ving en religie lijken erg ver van elkaar verwijderd te zijn. Aan de andere kant is dit een uitgelezen tijdstip voor ontvlamming en omkeer. De onge?rijmdheid van de menselijke arrogantie, het diepe gevoel van onveiligheid en schaamte, vertoeven als sluimerende openbarin?gen in veel zielen. Wij hebben satellieten in de lucht en een ge?heimzinnige angst voor de mens in onze harten.

Religie is niet iets dat op zichzelf bestaat of een doel in zichzelf. Zijn instellingen, rituelen, symbolen, belijdenissen ontlenen hun levenskracht aan de diepe wortels van het mense?lijke bestaan. Los van zijn wortels wordt religie waarde?loos. Onze kritieke situatie is ontstaan doordat wij wat aan religieus vertrouwen voorafgaat, verspeeld hebben: de eerste vereisten van inzicht en betrokkenheid. Wij leiden een le?ven dat de ogenblikken die aan overpeinzing en ontvankelijk?heid voor de uiteindelijke vragen voorafgaan, eerder tracht te onderdrukken dan te koesteren.

Het hoofddoel van theologie is v??r-theologisch. Het is de to?tale situatie van de mens en zijn houding tegenover het leven en de wereld.4 De kracht om te loven gaat vooraf aan de kracht om te geloven. Zonder een voortdurend opkweken van een verwonderd gevoel voor het onzegbare, is het moeilijk om open te blijven voor de betekenis van het heilige. Elke keer moeten wij, alvorens het woord ?God? te uiten, onze geest bevrijden uit de gevangenis van clich?s en etiketten, en moeten wij ons het volko?men mysterie van te leven, van midden in de wereld te staan, werkelijk bewust worden. Wat aan het geloof voorafgaat, om?vat een visie op de wereld, bepaalde ultieme vragen, geestelijke tradities - maar ook met moeite verworven persoon?lijke inzichten en ogenblikken van deelneming aan het religieuze gemeenschapsleven. In de westelijke wereld gaan deze onmisbare voorwaarden terug op een boek, de bijbel.

Zijn dogma?s onnodig? Wij kunnen niet nauw verbonden zijn met de werkelijkheid van het goddelijke behalve in zeldza?me, vluchtige ogenblikken. Hoe kunnen deze ogenblikken be?houden worden voor de lange uren van het alledaagse leven, wanneer de gedachtes die zich als bijen voeden met het onzeg?bare, ons verlaten en wij zowel visie als stuwkracht verliezen? Dogma?s zijn als waarheden vervlogen voordat de inkt droog is, en ze kunnen weer vloeibaar voor ons worden als we worden blootgesteld aan de macht van het onzegbare. Want er blijven problemen waarmee wij altijd moeten worstelen: hoe moeten wij die zeldzame ogenblikken van inzicht doorgeven aan alle uren van ons leven? Hoe moe?ten wij intu?tie in idee?n omzetten, het onzegbare in woor?den, hoe moeten wij een religieuze gevoelshouding begrijpelijk ma?ken voor ons verstand? Hoe moeten wij onze inzichten aan anderen doorgeven en ons met hen verenigen in een gemeenschap van vertrouwen? De ge?loofsbelijdenis tracht deze vragen te beantwoorden.

Of dogma?s toereikend zijn hangt ervan af of zij formuleren dan wel zinspelen. In het eerste geval pralen en falen ze, in het tweede wijzen ze aan en verlichten ze. Om aan hun doel te beant?woorden moeten ze telescopisch zicht houden op het onderwerp waarheen ze verwijzen en moeten ze gericht zijn op de mysteries van God, maar ze niet beschrijven. Ze kunnen alleen maar wijzen op een manier, ze kunnen niet een doel markeren van overpeinzing. Behalve als ze dienen als bescheiden wegwijzers zijn dogma?s hinderpalen. Ze moeten zinspelen en niet inlichten of beschrijven. Als ze letterlijk genomen worden, worden ze plat, eng en oppervlakkig, of mythologische buik?sprekerij. Het dogma van de schepping is bijvoorbeeld vaak verschraald tot een verhaaltje en van zijn authentieke betekenis beroofd. Maar als toespeling op het oermysterie is het van onuitputtelijk belang.

Er moet eerlijk worden toegegeven dat de waarheid, de bete?kenis en de vreugde niet te vinden zijn in wat wij verzinnen of volbrengen. De rechtvaardige leeft door zijn vertrouwen, niet door zijn geloofsbelijdenis. En geloof is niet trouw aan een mondelinge formulering; het sluit integendeel een diep besef in van de ontoereikendheid van woorden, concepten, daden. Tenzij wij beseffen dat dogma?s probeersels zijn en geen beslis?singen, dat ze benaderingen zijn en geen omschrijvingen. Ten?zij wij leren hoe wij deel kunnen hebben aan het ogenblik en het inzicht waarvan zij trachten te getuigen, zijn wij schuldig aan letterknechterij, aan het doen alsof we weten wat niet ver?woord kan worden. We maken ons schuldig aan intellectuele afgoderij. De onmisbare rol van dogma?s is het ons mogelijk maken er bo?ven uit te stijgen. De tijd is gekomen om door de bodem van de theologie heen te breken in de dieptetheologie.

 

NOTEN BIJ HOOFDSTUK 11

1. B. W. Anderson, ?The New Covenant and the Old?, in: The Old Testament and Christian Faith (New York 1963), blz. 227.

[Terzijde kan worden opgemerkt dat de grootse geleerde, wellicht de grootste theloog en godsdienstwetenschapper van de 20e eeuw, die in zijn meesterwerk Das Heilige vlijmscherp aangaf waar alle geleerdheid noodzakelijkerwijs op stuk moet lopen omdat het hier om het per definitie onformuleerbare gaat, Rudolf Otto, zich in 1929 teleurgesteld uit zijn werk en openbare leven terugtrok toen hij werd opgevolgd door Rudolf Bultmann en Heidegger: ?Christus is niet gekomen om onze existenti?le problemen op te lossen of om sceptici van hun twijfel te verlossen. Degenen die van zijn bestaansangsten verlost wil worden, doet er beter aan een psychiater te raadplegen?. Het bestaansmysterie herleiden tot een existenti?le problematiek, een Sein zum Tode, of tot een verlichte, ontmythologiseerde geloofstheorie, dat was hem veel te mager, te bekrompen. Zie hierover ook: Tjeu van den Berk, Het numineuze, Zoetermeer 2005, Dani?l Mok (red.), Een wijze uit het westen, beschouwingen over Rudolf Otto en het heilige, Amsterdam 2001 en Antoine Bodar, Geheim van het geloof, Tielt 1996]

2. Zie Leo Baeck, Judaism and Christianity (1958), blz. 171; W. D. Davies, ?The Gospel Tradition?, in: Neotestamentica et Patristica (1962), blz. 33.

3. Zie Mozes? uitroep: ?Legde de HEER zijn geest maar op heel het volk! Profeteerde iedereen maar!? (Numeri 11:29).

4. Zie mijn boek Man Is Not Alone (New York 1951), blz. 168 e.v.; zie ook hoofdstuk 8. ?Dieptetheologie?, blz. 139.

 

Protestantse vernieuwing: een joodse visie,

geschreven op uitnodiging van de redacteur van The Christian Century en gepubliceerd in The Christian Century, Deel lxxx, nummer 49, 4 december 1963.

The insecurity of freedom: essays on human existance, New York, Schocken Books 1972
Onzekerheid in vrijheid, Houten, Den Haan 1989
Vertaling: H. de Bie en D. Mok

Lees verder >

Verkoopinformatie Uitgeverij Abraxas



Marcion
(Gr.: Markion) (Sinope, Pontus, eind 1ste eeuw ? ca. 160), stichter van een christelijke tegenkerk, was door zijn vader, de bisschop van Pontus, volgens zijn bestrijders op grond van immoreel gedrag, ge?xcommuniceerd. In de jaren 138/139 trok hij naar Rome, waar het in 144 op grond van zijn afwijkende leer kwam tot een breuk met de christelijke gemeente en de stichting van een eigen kerk.

Marcions studie van de paulinische geschriften had hem tot het inzicht gebracht dat God, de vader van Jezus Christus, niets uitstaande had met de scheppergod van de joodse bijbel. Het werk van deze Demiurg (heel de materi?le wereld, de mens incluis) en de door hem ge?nspireerde joodse Wet laten hem kennen als een onwetende, wispelturige en wrede God, terwijl de God van het evangelie, zoals dat door Paulus als boodschap van genade was verstaan, een God is van liefde, volkomen transcendent aan de kosmos. Dit inzicht voerde Marcion tot afwijzing van de joodse bijbel en tot het opstellen van een canon van christelijke geschriften, bestaande uit het van alle joodse elementen gezuiverde Lucasevangelie (zonder de kindheidsverhalen) en tien brieven van Paulus (zonder de pastorale brieven).

Christelijke verlossing bestaat voor Marcion uit bevrijding van de ziel uit de macht van de Demiurg door de zelfvernedering van de in een schijnlichaam verschenen Christus, de bode van een ?onbekende God? en de brenger van een nieuwe moraal. Door strenge ascese, seksuele onthouding en de bereidheid tot het martelaarschap doodt de gelovige in zich het werk van de scheppergod. Dit antikosmische karakter van Marcions theologie vertoont verwantschap met de uitgangspunten van de gnostiek, waartoe hij echter vanwege het ontbreken van een emanatieleer en een esoterische heilsmythe moeilijk kan worden gerekend.

Zijn hecht georganiseerde kerk heeft blijkens de talrijke en felle reacties van kerkelijke schrijvers een grote bedreiging gevormd voor de zich in de tweede helft van de 2de eeuw profilerende christelijke orthodoxie en is tot in de 6de eeuw blijven bestaan. Marcions hoofdwerk, de Antithesen, is verloren gegaan; zijn leer moet gereconstrueerd worden uit de tendentieuze weergave ervan door zijn bestrijders, m.n. Tertullianus.



Bultmann, Rudolf (Wiefelstede, Oldenburg, 20 aug. 1884 ? Marburg an der Lahn 30 juli 1976), Duits protestants theoloog, van 1921 tot 1951 hoogleraar Nieuwe Testament in Marburg. Bultman werkte op de grondslag van de historisch-kritische en godsdiensthistorische methoden van zijn leermeesters J?licher, Johannes Weisse en Gunkel, en verwierf bekendheid vanwege zijn baanbrekend werk op het gebied van de vormgeschiedenis in zijn studi?n Die Geschichte der synoptischen Tradition (1921, 81970) en, meer populair, Die Erforschung der synoptischen Evangelien (1925), door zijn boek Jesus (1926, 21929), met een geheel aparte visie, waarin ? gelijk ook elders ? belangrijke invloed van de dialectische theologie te onderkennen valt, en door zijn studi?n over de Johanne?sche literatuur (met name zijn uitvoerige commentaar op het Evangelie van Johannes), waarin hij veel aandacht schenkt aan de analogie?n uit de Mandaese gnosis.

In het bijzonder is zijn naam verbonden met het probleem van de 'Entmythologisierung', d.i. bevrijding van de bijbelse verhalen uit het gewaad van een verouderd mythologisch wereldbeeld (zie ontmythologisering).

Hij poogt de nieuwtestamentische geschriften existentieel te interpreteren en door te dringen tot het in de teksten en door het begrippenmateriaal van joodse apocalyptiek en gnostische verlossingsmythe weergegeven 'Selbstverst?ndnis' van de schrijvers. Deze opvattingen, verdedigd in Offenbarung und Heilsgeschehen (1941) en sindsdien in andere publicaties (een korte samenvatting geeft Bultmann in: Jesus Christus und die Mythologie, 1964; Ned. vert.: Jezus Christus en de mythe, 1967), hebben vooral in Duitsland, maar ook elders, veel opzien gebaard en in kerkelijke kringen verontrusting gewekt.

Voor het begrijpen van Bultmanns inzichten is ook zeer belangrijk zijn Theologie des Neuen Testaments (1953, 51965). Verder heeft Bultmann verschillende studi?n gewijd aan onderwerpen uit de systematische theologie; de voornaamste zijn verzameld in de bundels Glauben und Verstehen, 6 dln. (1933?1968).

WERK: Der Stil der paulinischen Predigt und die Kynisch-Stoische Diatribe (1911); Das Johannesevangelium (1941; 191968 o.d.t. Das Evangelium des Johannes); Das Urchristentum im Rahmen der antiken Religionen (1943; 31963); Die Frage der Entmythologisierung (1954, met K. Jaspers); Der alte und der neue Mensch in der Theologie des Paulus (1964); Die drei Johannesbriefe (1967).



 

 

   Walter Moers