Docent in het huis der verwondering:
Pastoraal leiderschap, spirituele transformatie, en het gewijde andere
Michael Jinkins
Onze zoektocht moet beginnen met het besef van het onuitsprekelijke.
A. J. Heschel
Wat de mensen willen
Niets is zo irritant als een slecht boek een juist punt maakt. Zo?n boek - de laatste tijd veel gelezen door betrokkenen - is Donald Miller?s Reinventing American Protestantism. Miller, een godgeleerde aan de University of Southern California, leent termen uit de marketing en uit de hedendaagse muziekcultuur en pleit voor de levensvatbaarheid van wat hij ?nieuwe modelkerken? noemt. Dat zijn moderne megakerken die zijn voortgekomen uit de ?Jezusbeweging? en succesvol zijn door hun toegankelijkheid. Het is verleidelijk om dit zwakke boek te bekritiseren.
1[1]
Ondanks dat wil ik de aandacht richten op een positieve kant van Millers argumenten die het onmogelijk maken om het boek zonder meer van de hand te wijzen.
De Noord-Amerikanen, zo schrijft Miller, smachten naar een ?transcendente ervaring van het heilige? die ?de boven de mens uitreikende en levensbepalende kern? van alle ware religie uitdrukt. [2][ii] Volgens Miller willen de mensen meedoen in kerkgenootschappen die de verwachting van een transformerende ervaring centraal stelt in gemeenschapsleven, eredienst en missie. Ik denk dat Miller hierin gelijk heeft.
Zijn boodschap, in mijn ogen, is zowel veelbelovend als bedreigend voor de protestantse hoofdstroming die de christelijke vorming benadrukt. Veelbelovend omdat wij allen die met onbedekt gezicht de luister van de Heer aanschouwen, meer en meer door de Geest van de Heer naar de luister van dat beeld zullen worden veranderd (2 Kor. 3:18).
[3][3]
Maar het is
ook
bedreigend
omdat het
vaak ten
koste gaat
van
geestelijke
ontwikkeling
en
verandering.
Een reis
langs de
kerkgeschiedenis,
van
controversies
tot
kerkscheuringen,
laten de
typische
bezorgdheid
van het
protestantisme
zien als het
geconfronteerd
wordt met
mogelijke
kerkontwrichtende
invloeden
zoals emoties
en
buitenredelijkheid
die soms
verbonden
zijn met
ervaringen
van
?transformerende?
of
?bekerende?
aard.
[4][4]
Hoe dan ook, deze zelfde geestelijke tradities, net als bij veel andere protestantse kerken over de hele wereld, verhullen ook in hun eredienst, theologie ?n bestuursvorm, een eerbied voor het transcendente, het heilige en soevereine van God. Door die sluier wordt in feite het gezag van de religieuze ervaring verwijdert uit de kerkelijke sfeer. Ondertussen laat de geschiedenis van de belangrijkste protestantse stromingen een volhardende angst voor overdreven gemoedsuitingen en irrationalisme zien. Het ontzag voor het heilige, opgeborgen binnen deze tradities, maken de eerbied duidelijk voor de mogelijkheid van oprechte spirituele verheffing in het leven van christenen, een ontzag dat vergeten werd of ontkend met alle grote risico?s van dien.
Velen gaan vandaag naar de kerk, aldus Miller, om een diepgaande, levensbepalende omgang met God te zoeken. Als dit waar is, wat zijn dan de gevolgen hiervan voor predikanten en gemeenten?
Wat moet dit betekenen voor dominees en andere kerkelijke leiders die de taak op zich hebben genomen hun gemeenteleden voor te gaan in zulke potentieel transformerende ervaringen door eredienst en prediking, hulpverlening en kerkelijk leiderschap? Om deze vragen te behandelen, en wel op een wijze die toegespitst is op de geloofstraditie van de belangrijkste kerken, zal ik beginnen met het onderzoeken van een aanpak om na te denken over pastorale zorg waarvan vast staat dat ze vooral van invloed is geweest in het Amerika van de laatste vijftig jaar.
Perspectieven
voor
pastorale
zorg
Seward
Hiltner heeft
het gebied
van de
pastorale
zorg voor een
generatie
vastgelegd in
zijn boek dat
een keerpunt
markeerde:
Preface to
Pastoral
Theology: The
Ministry and
Theory of
Shepherding
(1958). Hij
schetste drie
?perspectieven?
van pastorale
zorg:
verkondiging,
vereniging en
zielzorg. Elk
van deze
perspectieven
van de
pastorale
praktijk
speelt zijn
kenmerkende
rol. Zij
kleuren,
vormen,
bepalen,
beperken en
begrenzen de
manier waarop
de taken
worden
uitgedragen.
Het preken, bijvoorbeeld, kan enkele of al deze perspectieven op elk gegeven moment weerspiegelen. Onder de kenmerken van preken wordt het overdenken van het perspectief ?verkondiging? verstaan van de aanspraak van het woord van God in ?de geest en hart en levens van mensen?.
[5][5]
Prediking kan echter ook het perspectief van de ?zielzorg? weerspiegelen. Hiltner omschrijft dat als de ?bereidheid van de herder om aandachtig te zijn? naar de toehoorders toe, telkens wanneer ?zij een mild en aandachtig gevoel van betrokkenheid wensen of nodig hebben?.
[6] [6]
Prediking kan ook het perspectief van vereniging/organisatie weerspiegelen. Dat is de zorg van hen die verantwoordelijk zijn binnen de gemeente voor de verdieping en uitbreiding van de sociale structuur van de kerk als het ?lichaam van de Christus? door middel van ordening en administratie van de kerkelijke dienst.
[7][7]
Wat geldt voor de preek, geldt ook voor elke andere geestelijke praktijk. Van het voorgaan in de dienst tot het voorzitten van het kerkbestuur. Van het voorbereiden voor belijdenis tot het verlenen van pastorale hulp.
Deze drie aandachtsvelden van overdracht, organisatie en zielzorg zijn innig met elkaar verbonden. Als het pastorale werk wordt uitgevoerd met deze drie perspectieven als ondergrond, is het mogelijk om de organische eenheid van het geestelijke ambt waar te nemen. Dit in tegenstelling tot een houding die neigt naar versnippering van het ambt in allerlei technische of persoonlijke specialisaties. De verkondiging van de boodschap kan niet worden gescheiden van de persoonlijke zielzorg zonder wezenlijke schade aan te richten aan zowel het evangelie als aan de toehoorders van de boodschap. Het leiderschap van een gemeente kan niet los worden gezien van overige taken, zonder de betekenis van de kerk zelf als mensen van God die geroepen zijn om Jezus te volgen, te verliezen. Hiltner, in feite, herschikt als ?perspectieven? een stel telkens weer opduikende aandachtspunten die door de hele christelijke geschiedenis heenlopen.
[8][8]
De voorganger verkondigt het evangelie, en de boodschap maakt zijn aanspraak in de harten van de mensen, ongeacht de specifieke taak die op dat moment wordt uitgevoerd. De voorganger neemt deel aan de organisatie van de gemeente, of hij of zij nu voorgaat in het avondmaal of het kerkbestuur voorzit. De voorganger begeleidt de bijeenkomsten en is beschikbaar als therapeut van de ziel door allerlei kerkelijke en geestelijke plichten te vervullen op een wijze en in een mate dat deze gevarieerde praktijken bijdragen tot de gezondmaking, gezond- en heelheid van mensen, individueel en collectief.
Elk van deze perspectieven heeft zijn bijbelse, theologische and historische rechtvaardiging; en elk heeft zijn beperkingen. Het klassieke munus triplex, benadrukt in bepaalde theologische tradities, weerspiegelen deze perspectieven door de missionaire dienst van Jezus te beschrijven als profeet, priester en koning. Wetenschappelijke studies over historische en hedendaagse modellen van het pastorale ambt weiden in meer of mindere mate uit over dit eenvoudige model.
[9][9]
Zelfs de meest oppervlakkige en reducerende pogingen om het geestelijke ambt te herdefini?ren tot koopmanschap, ondernemersschap en klantenservice, zoeken impliciet de autoriteit uitgedrukt in deze perspectieven. Het is uiteindelijk in het licht van deze perspectieven dat zulke misverstanden over het geestelijke ambt definitief beoordeeld kunnen worden als theologisch ontoereikend.
Wat soms wordt veronachtzaamd echter, en bij tijd en wijle verloren gaat in de weifelende gesprekken over de uitoefening van het geestelijke ambt en kerkelijke functies, is het radicale (in de oorspronkelijke betekenis van ?radicaal? als wortel en fundamenteel in de betekenis van de grondslag rakend) theologische ?perspectief? van ontzag en verering in de nabijheid van het heilige, dat onder alle drie de perspectieven ligt die Hiltner schetst. Hiltner zelf gaat uit van het bestaan en de cruciale betekenis van dit onderliggende theologische perspectief. Hij zinspeelt erop wanneer hij waarschuwt voor het gevaar van het ?minimaliseren van het verschil tussen reddende kennis en andere kennis?, en daardoor eindigt in een kerk ?met een humanisme dat het ontzag en majesteitelijke en transcendentie van God vergeten is en daarmee de overweldigende en ultieme betekenis van de Christus?.
[10][10]
Zonder aan te sluiten bij dit radicale perspectief van goddelijke nabijheid, lopen we het risico de spirituele waarde van kerk, pastoraat, geestelijke leiding en van dienstbaarheid naar de naaste en de wereld, van rechtvaardiging, en van de vitale getuigenis als volgelingen van de Christus compleet te verliezen. Het loslaten van dit fundamentele theologische perspectief leidt onvermijdelijk tot het bezwijken van de kerk en vervalt zij tot een ijverige maar hopeloos navelstarende en persoonlijk uitgeputte vakmatigheid. Zonder expliciete verwijzing naar dit onderliggende perspectief kan de gerechtvaardigde angst voor emotionele uitwassen en onredelijkheid al te gemakkelijk omslaan tot een institutionele barri?re voor de absoluut mogelijke persoonlijke transformatie door de kracht van de heilige Geest.
Wat ik wil voorstellen is eenvoudig dit: een terugkeer naar het radicale perspectief van ontzag in de aanwezigheid van het heilige, diepe eerbied tegenover het gewijde volstrekt Andere en herstel van de definitie van persoonskenmerken van de voorganger als, wat ik wil noemen, leraar in het huis van verwondering. Dat wil zeggen, een bescheiden gids in de mysteri?n van God. Iemand die voorgaat tussen, met en namens de mensen van God en hen zonder aanmatiging bijstaat in het verwerven van de religieuze bewustwording van de transcendentie dat Gods belofte is en Gods ?bedreiging? naar alles wat we zijn, omdat deze ?transcendentie? geen abstracte kwaliteit is, maar niets anders dan de transcendente God, anders en volstrekt anders. Vrij en met onge?venaarde macht tot rechtvaardiging en tot begunstiging om op die wijze transformatie te bewerkstelligen.
Zowel de kerk als de pastorale theologie heeft nooit dit radicale vergezicht verworpen. Maar vrijwel iedereen heeft te vaak weggekeken van dit onderliggende perspectief tot nadeel van de kerk. In zekere zin breng ik simpelweg in herinnering wat Calvijn zei: in tota vita negotium cum Deo, in het hele leven hebben we met God te maken.
[11][11]
In de gevarieerde sociale, psychologische, culturele, politieke en taalkundige gesprekken waarbij religieuzen onvermijdelijk zijn betrokken, wordt niet minder menselijk gesproken in het licht van deze bewustwording, maar geven zij een eeuwig referentiepunt aan, een perspectief dat deze betekenis overdraagt boven alle menselijke mogelijkheden uit.
Wat zou het dan inhouden voor de religieuze beweging in al haar facetten als ze doorweekt was door een onderdompeling in ontzag en diepe eerbied? Ik zou zeggen dat het betekent, tenminste gedeeltelijk, dat je leven wordt doordrenkt met een verbintenis met het heilige, een ontmoeting met God waarvan je nooit helemaal meer loskomt. Het betekent ook dat deze verbintenis de gehele geestelijkheid hervormt. Dus, laten we nadenken over het levensveranderende verbond met het heilige om daarna te verkennen hoe dit verbond het religieuze leven en de leiding opnieuw vorm geeft.
Oog in oog
met de
transformerende
aanwezigheid
van het
heilige
Er zijn
uiteraard
vele bijbelse
voorbeelden
van de
menselijke
ontmoeting
met het
heilige, met
God de
transcendente
inwonende die
verandering
bewerkstelligt,
die
transformeert.
De verhalen
over de
aartsvaders
uit Genesis
bijvoorbeeld
vertellen
over Abraham
die God in
een visioen
ontmoet.
Toen de zon
op het punt
stond onder
te gaan, viel
Abram in een
diepe slaap.
Opeens werd
hij
overweldigd
door angst en
diepe
duisternis.
De Eeuwige
sprak tot
Abram en in
de duisternis
ging hij een
verbond met
hem aan,
tussen rook
en vuur. God
maakt van de
pelgrim
Abram,
Abraham de
aartsvader.
Een ander verhaal, Genesis 32, verhaalt over de mysterieuze geschiedenis van Jacob die ?s nachts worstelt met een goddelijke boodschapper. De strijd duurde tot het weer licht werd, toen de ander probeerde te ontvluchten, maar Jacob hield hem vast tot hij zijn zegen had gekregen. De vreemdeling die het met Jacob uitvocht gaf hem een nieuwe naam die een teken was van een nieuw karakter: ?Voortaan zal je naam niet Jakob [?hij die een ander beetneemt?] zijn maar Isra?l [strijder van God], want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen?(Gen. 32:28).
Van het verhaal van Mozes die de leefregels van de Eeuwige ontving op de berg tot het verhaal van Jobs confrontatie met God in de storm, van de geschriften van de met ontzag vervulde psalmisten tot profeten als Ezechi?l en Jesaja, we worden herhaaldelijk geconfronteerd met transformerende ontmoetingen met ?de levende God?.
[12][12]
Inderdaad,
Rudolf Otto
wijst erop
dat de ?de
levende God?
van het Oude
Testament
heel anders
is dan
loutere
?wereldrede?.
?Daardoor is
hij dit aan
alle
filosofeerbaarheid
zich
ontrekkende,
uiteindelijke
buitenredelijke
wezen, zoals
hij in het
bewustzijn
van alle
profeten en
apostelen van
het oude en
nieuwe
Verbond
leeft?.
Theologen en
filosofen die
zich later
verzetten
tegen de
abstracte
?god van de
filosofen? in
naam van de
?levende?
God, en die
de statische
vensterloze
monade van
het
rationalisme
verwierpen
ten faveure
van de God
des toorns,
der liefde en
van de
ontroeringen,
hebben, zo
schrijft Otto
?altijd
onbewust de
irrationele
kern van het
bijbelse
godsbegrip in
bescherming
genomen? (Het
heilige,
p.130).
[13][13]
Zes jaar nadat hij deze woorden geschreven had in zijn klassieke studie Het heilige, schrijft Otto in Christliche Welt opnieuw: ?Als ?levende? God is de Eeuwige volstrekt verheven tot in de wereld van ruach (geest), terwijl zijn rivalen omlaag werden gedrukt in het vlees en de onmacht, waarmee ze dan uiteindelijk in alle opzichten vervallen tot leugen en loutere inbeelding.? [Profetische Gotteserfahrung, ? 4 Geist, Leben, Licht, Wahrheit]
Otto begrijpt dat het ?redelijke en het buitenredelijke beide behoren bij het begrip van het heilige, en als dit feit niet wordt erkend we afglijden naar een exclusief bedrieglijke onredelijkheid?. Aldus Otto in zijn voorwoord bij de Engelse uitgave. Of naar een exclusief bedrieglijke rationaliteit, kunnen we er nog aan toevoegen. Dus doen we er goed aan om in herinnering te houden dat de Duitse schrijver en filosoof J. G. Hamann (? 1788) op het hoogtepunt van de Verlichting tekeer ging tegen het reducerende en ridicule rationalisme van zijn tijd. Hij argumenteerde dat God geen wiskundige was, maar een po?et ? en toen hij G. E. Lessings (? 1781) ?wijde weerzinwekkende watergang? afwees als afscheiding tussen de menselijke geschiedenis en het eeuwigdurende ? sprak Hamann in naam van de levende God van Abraham, Isaac en Jacob die zijn eigen leven en zijn complete filosofische wereld ondersteboven had gekeerd en een wending kreeg van geestelijke transformatie die hem dwong om de aard van de werkelijkheid zelf te herwaarderen.
Het Nieuwe Testament laat de levende God niet achter zich, de heilige, vrije, transcendente God, blijft niet achter in het stof van de woestijn van het Sina?-schiereiland of te midden van de schuddende fundamenten van de profetentempel. Johannes de Doper gaat aan de slag onder invloed van het heilige en het is in naam van de levende God dat Johannes de komst van het koninkrijk van God aankondigt. De levende God van Abraham, Isaac en Jacob is ook de God van Jezus. Rudolf Otto merkt op dat God als ?hemelse Vader? en heer van het koninkrijk der hemelen ?niet minder ?heftig?, numineus, geheimzinnig, kadosj (sanctus en sacer tegelijk), hagios (heilig), sacer (numineus) en sanctus (heilig) is als zijn rijk zelf, maar veel meer, en dat alles in absolute mate. Hij is in dit licht bezien het hoogtepunt en vervulling van alles dat het oude verbond ooit aan ?creatuurgevoel?, aan ?heilig ontzag? en dergelijke heeft bezeten? (Het heilige p. 137).
Dit is nergens m??r waar dan in het leven van Jezus en in het bijzonder tijdens die nacht in Gethsemane toen de Mensenzoon tot God bad deze beker aan hem voorbij te laten gaan. De doodsstrijd van Jezus, de kwelling van ?een ziel die siddert en de moed verliest tot in haar onpeilbare diepten, deze droefenis tot de dood erop volgt en dit zweet, dat als grote druppels bloed op de grond droop, is dat gewone doodsangst? Nee, hier is meer dan doodsangst. Hier is de huivering van de creatuur voor het tremendum mysterium, voor het raadsel dat vol benauwenis is? (Het heilige p. 139).
Gods afschrikkend ingrijpen, deze huivering in de aanwezigheid van het heilige, dat is de betekenis, het gevoel dat S?ren Kierkegaard met vrees en beven vervulde, omdat deze ontmoeting ons brengt tot de oorzaak, de reden achter redelijkheid, de esthetische aanspraak achter schoonheid en de ethiek achter moraliteit, in de sfeer van God alleen. [19] De consequentie van deze confrontatie met het heilige is een heftige transformatie die verder gaat dan vuur, voorbij de dood. Het is deze godservaring, in ieder geval gedeeltelijk, die William James psychologisch probeert te beschrijven in zijn hoofdstuk over ?bekeringen? in Vormen van religieuze ervaring. Otto, Kierkegaard en James helpen ons te herinneren dat God niet wordt ingeperkt door geloofsbelijdenissen, maar vrij blijft om te ontmoeten en te roepen om het even wie, naar Gods wil en op zijn voorwaarden. Gods heiligheid laat zich ook niet ontleden tot het beperken van God tot een sfeer die verwijderd is van deze wereld. Voor de God van de bijbel is heiligheid een wereldse aangelegenheid. Gods heiligheid, zoals Karl Barth erkende, is geen hoofdkenmerk van abstracte transcendentie, maar van Gods bovenzintuiglijke immanente karakter.
Het zal ons dan niet verrassen, dat sommige van de meest dwingende getuigenissen heilige ervaringen oprijzen vanuit de bladzijden van de romanliteratuur en waarvan sommige zelfs helemaal niet religieus gekleurd zijn. E. M. Forster (? 1970) beschrijft in zijn eerste korte verhaal The Story of Panic de buitensporige verschijning van de heidense god Pan bij een picknick van gegoede Engelsen op een Italiaanse heuvelrug, niet lang nadat de meer wereldwijze aanwezigen hadden uitgeroepen dat de grote Pan dood is. [22] Toni Morrison drukte een tastbaar gevoel van de aanwezigheid van een gewijd anders zijn uit in haar novelle Beloved. ?Dood? schrijft ze, ?is een overgeslagen maaltijd vergeleken met dit.? [23]
Een van de
meest
welsprekende
vertolkingen
van een
ontmoeting met
het heilige is
eigenlijk een
fictieve uit de
jeugdliteratuur.
In Kenneth
Grahames De
wind in de
wilgen, in
een hoofdstuk
met de titel
De fluitspeler
bij de poort
van de dageraad,
in een passage
zonder enige
christelijke
pretenties.
Alles dat
Rudolf Otto als
karakteristiek
beschouwd in de
menselijke
confrontatie
met het heilige
verschijnt in
essentie in dit
verhaal.
Het verhaal begint bij een verontrustend moment in de geschiedenis van de Otterfamilie. Dikje, de geliefde zoon van de Otters wordt al dagen vermist. Er is ongerustheid want Dikje kan nog niet zo goed zwemmen. Nacht na nacht gaat Otter naar de plek bij de rivier waar hij zijn zoon de eerste zwemles heeft gegeven in de hoop dat Dikje daarnaar zal terugkeren. Rat en Mol waren ook uit hun doen en konden niet slapen. Ze brachten hun boot naar buiten om het vermiste kind te zoeken. Ze zijn op de rivier. De maan verheft zich in langzame majesteit boven de rand van de wachtende aarde. De horizon werd helderder bij de eerste zweem van de dageraad wanneer Rat iets hoort, een lied in de lucht, en net zo plotseling weer stilte.
"Het is weg!" zuchtte de Rat en zonk weer achterover in zijn bank. "Wat mooi en vreemd en nieuw! Nu het zo gauw opgehouden is, wou ik bijna dat ik het nooit gehoord had. Want het heeft een verlangen in me gewekt dat pijn doet, en niets lijkt de moeite waard behalve nog eens dat geluid te horen en er altijd naar te blijven luisteren. Nee! Daar is het weer!" riep hij, weer vol aandacht. Een tijdlang zweeg hij, verrukt en betoverd.
Rat probeert de muziek te omschrijven voor Mol, die het nog niet gehoord had, maar het is onmogelijk om het te beschrijven. Rat is er van overtuigd dat de muziek een roep inhoudt die ze beiden, hij en Mol moeten gehoorzamen. Rat zit er stilletjes bij, dan begint de muziek opnieuw: Opgetogen, verrukt, trillend, werden al zijn zinnen in beslag genomen door dit nieuwe, gelukzalige iets dat zijn hulpeloze ziel gegrepen had en als een onnozel maar gelukkig kind in een sterke, vaste greep wiegde en liefkoosde.
Ademloos, diep getroffen, hield de Mol op met roeien toen de vloeiende stroom van dat blije gefluit hem als een golf overviel, hem greep en hem helemaal omvatte. Hij zag de tranen op de wangen van zijn vriend, en boog zijn kop en begreep.
Rat en Mol volgen de godduleuze muziek naar een heilige plaats en kijken dan recht in de ogen van de Vriend en Helper. Als laatste zien zij, diep in slaap en volkomen vredig en rustig het kleine ronde dikke kinderlijfje van de kleine otter. Dat alles zag hij in ??n ogenblik.
?Rat,? kon hij eindelijk bevend fluisteren, ?ben je bang??
?Bang?? mompelde de Rat en zijn ogen glansden van een onuitsprekelijke liefde. ?Bang! Voor Hem! O, nooit, nooit! En toch... en toch... O Mol, ben ik bang!?
Toen hurkten de beide dieren op de grond en bogen hun koppen in eerbiedige hulde.
Alles wat Rudolf Otto beschrijft, zowel de gezegende ontzagwekkendheid van eerbied als de ontzettende verschrikking, is hier aanwezig. Het redelijke en het buitenredelijke, de fascinatie, het angstbeeld, het wonder, de welwillendheid, de vreugde en de bedroefde hunkering, ze passeren allemaal de revue. Vermengd en gemengd in de confrontatie met het heilige, de grenzeloos geheiligde.
C. S. Lewis roept een zelfde weerklank op in De leeuw de heks en de kleerkast wanneer de kinderen voor het eerst horen over Aslan, de grote leeuw, de gedaante van de Christus in De kronieken van Narnia. Iets, zo worden we verteld, verschijnt in het bewustzijn van elk kind wanneer het voor de eerste keer die naam, Aslan, hoort. ?Misschien,? zo tekent de verteller aan, ?is het je wel eens overkomen dat je in een droom iemand iets hoort zeggen wat je niet begrijpt, maar in de droom voelt het aan alsof het een enorme betekenis heeft. Een angstaanjagende betekenis wellicht die van de hele droom een nachtmerrie maakt, of anders een gelukzalige betekenis, te gelukzalig om in woorden te kunnen worden uitgedrukt, die de droom zo prachtig maakt dat hij je de rest van je leven bijblijft en je altijd blijft wensen dat je weer in die droom terechtkomt.? [25]
Later, als de kinderen meer over deze Aslan te weten zijn gekomen, is Aslan ?de grote leeuw?, de koning van alles en vragen de kinderen zich af of hij betrouwbaar is. ?Betrouwbaar?? antwoord meneer Bever. ?Natuurlijk is hij niet betrouwbaar. Maar hij is goed.? [26] Hoe dan ook zo?n paradox rede en redeloosheid in conflict moge brengen, wat voor emoties deze botsing ook met zich mee mogen brengen, legt Rudolf Otto uit, wat overblijft is de getuigenis van hen die de ontmoeting met het heilige hebben ervaren, en daarin het ?overschuimende van het godsbegrip? hebben gevonden dat Paulus (en met hem vele anderen) achter de grenzen van het theologische woordgebruik bracht toen hij gewag maakte van God onthuld in de Christus (Het heilige p. 139). [27]
De oude
heidense
priester in de
roman Het
ware gelaat
van C. S. Lewis
pleit, in
zekere zin doet
dit aan Otto
denken, tegen
het
rationalisme
van de
filosofen die
de koning
adviseerden:
?Ik, de koning,
heb me voor
drie generaties
bezig gehouden
met de goden,
en ik weet dat
zij onze ogen
verblinden en
in en uit
elkaar
ontspringen als
draaikolken in
een rivier, en
niets dat
duidelijk
gezegd wordt
kan waarlijk
over hen gezegd
worden. Heilige
plaatsen zijn
donkere
plaatsen. Het
is leven en
kracht waarin
we
terechtkomen,
geen kennis of
woorden.
Heilige
wijsheid is
niet helder en
vloeiend als
water, maar
donker en dik
als bloed.
Het huis van de heer is het huis van verwondering, van ontzag, van diepe eerbied voor het heilige. Dit moeten we blijven herinneren, wat er ook gebeurt, en niet verrast zijn dat er een touw rond het been van de hogepriester wordt gebonden zodat, voor het geval de numineuze aanwezigheid zegeviert en hem volkomen voor zich wint, ze tenminste nog zijn lichaam konden terughalen.
Mensen smachten naar een transcendente ervaring wordt ons verteld. Mensen vragen om een ?ervaring? die ze kan transformeren en die hun leven betekenis geeft en hun leven belangrijk maakt. Als religieuzen dit smachten op authentieke wijze willen beantwoorden, met geloofsvertrouwen en theologische integriteit, moeten we eerst aandachtig zijn voor het heilige. We moeten in de geschiedenis van de geloofsgemeenschappen en in onze eigen ontmoetingen met God herontdekken wat noodzakelijk is om mensen binnen te leiden in een bewustzijn van de gewijde aanwezige ander die exclusief mensen verandert. Hij alleen, die het menselijke bestaan een eeuwige draagwijdte verschaft. We kunnen niet weten, we kunnen niet manipuleren, we kunnen de resultaten van een ontmoeting met de levende God niet be?nvloeden. Het is God die levens verandert, niet de ervaringen; zelfs niet de religieuze ervaringen. Emoties en gevoelens komen en gaan. Inzichten verflauwen. Vastberadenheid verdampt. Als we proberen om de ervaringen te fabriceren die een mensenleven kunnen veranderen, verkopen we knollen voor citroenen in plaats van iets blijvend waardevols. En dat is een blinde verering, een afgodendienst, hoe zeer we ook proberen onze liturgische ceremonie te rechtvaardigen. Persoonlijke veranderingen, zelfs als deze gebaseerd zijn op de levendigste emotionele ervaringen kunnen niet lang aanhouden, maar moeten keer op keer worden bekrachtigd door voortdurend prikkelender ervaringen (meer rook, grotere gordijnen); de geestloze aanbidder komt terecht in een neergaande spiraal van de spirituele prikkelcultuur. Alleen het heilige transformeert en we moeten in gedachte houden dat deze verandering is als de dood waarachter alleen vernietiging en hergeboorte ligt.
Mysterium tremendum: ?Huiveringwekkend is het te vallen in de handen van de levende God!? (Hebree?n 10:31). Maar het is ook een wonderbaarlijke aangelegenheid ? dood maar ook levend ? en het kan ons op zoveel verschillende manieren overkomen, misschien onverwacht en lonkend of hartstochtelijk gewenst bij de afsluiting van een levenslange zoektocht. Rudolf Otto, hij weer, spreekt van deze numineuze ervaring, van dit mysterie als een gevoel dat met milde stroom het innerlijk kan vervullen in de vorm van de verheven stille stemming van verzonken aandacht. Het kan overgaan in een rustig vloeiende gestemdheid van de ziel die lang aanhoudt en natrilt, tot zij uiteindelijk wegsterft en de ziel weer in het profane achterlaat.
Het kan ook met krampachtige stoten en stuiptrekkingen plotseling uit de ziel naar voren breken. Het kan voeren tot een vreemde opwinding, tot roes, vervoering of extase. Het kan wild en demonisch worden. Het kan geleidelijk omlaaggaan tot spookachtig vrezen en sidderen. Het heeft zijn ruwe, barbaarse eerste uitingen en laagste vormen. En het ontwikkelt zich tot een teer, gelouterd en opgetogen gevoel. Het kan worden tot het stille en deemoedige huiveren en verstommen van het schepsel voor het ? ja waarvoor? Voor wat in onuitsprekelijke geheimenis boven alle schepselen is.
Zo zeggen wij het, om toch iets te zeggen. Het springt echter onmiddellijk weer in het oog dat wij daarmee eigenlijk niets zeggen, of tenminste, dat ook hier weer onze poging tot begripsbepaling zuiver negatief is. Mysterium is naar het begrip niets anders dan de naam voor het verborgene, dat wil zeggen het onbekende, niet begrepene en verstane, niet alledaagse, niet vertrouwde, zonder dat dit nader kan worden bepaald naar zijn hoe. Toch is er iets mee bedoeld dat zonder meer positief is. Het positieve ervan wordt louter in gevoelens beleefd. En deze gevoelens kunnen wij al toelichtende ook wel verduidelijken, door ze gelijktijdig te laten doorklinken. [p. 22-23]
Wat meer kunnen we zeggen over de bewustwordende ervaring in de aanwezigheid van het heilige, dan dat het zowel huiver als fascinatie opwekt, dat het de rede overstijgt, ontzagwekkendheid en gevoelens van schrik met zich meebrengt, dat het bekoorlijk en wonderlijk is en indrukwekkend? Het moet helder worden begrepen dat het niet onze religieuze ervaring is, maar de heilige ervaring die de aanspraak in de ontmoeting legt. Het heilige streeft er niet louter naar om een nieuwe ervaring in ons los te maken, maar een nieuwe menselijkheid in het gelaat van de Vredesvorst die kwam om te dienen, niet om bediend te worden. [29]
Jonathan Edwards beschreef God in de termen van bonum formosum ?het in zichzelf gelegen prachtige goed?. Hij herinnert ons eraan dat de ultieme doelstelling en het hoogste goed van religieus vertrouwen en religieuze dienst God is, niet iets dat God voor ons doet, geen voordeel dat God ons geeft, maar God zonder meer. [30] Ons bewust wordend van de nabijheid van het heilige, het gewijde en volstrekt andere, de ultieme wezenskern, de adem van alle leven, hier alleen kennen we de maat van onszelf en waartoe we zijn geschapen en waartoe we zijn geroepen. We weten ons geoordeeld en gezegend, dood en herboren. We weten onszelf vertoevend in het huis van de heer dat de hele schepping omringt, dat nooit kan ophouden het wonderbaarlijke huis te zijn wanneer wij er het heilige in ontmoeten.
Docenten in het huis van verwondering
Abraham Joshua Heschel sprak van een leven aangepast aan de aanwezigheid van God, een levend bewustzijn in elke ademtocht van de glorie en macht en liefde van de Schepper. [31] Als wij, als religieuzen ons zouden verplichten om in onze betrokkenheid gevormd te worden door het radicale perspectief van de heilige ontmoeting, wat zal dit dan betekenen voor de geloofsgemeenschappen waarbinnen we actief zijn? Met het oog op deze vraag moet ik u vragen om uw voorstellingsvermogen te gebruiken om het volgende tafereel voor de geest te halen.
Stel je voor dat je een kathedraal binnentreedt. De kathedraal staat op een door bomen omgrensde klif die uitzicht biedt op een diepe en snel bewegende stroom waarin lang geleden de kluizenaar Godric van Finchale zich baadde, aan de oevers waarop Benedictijner monniken brandhout sprokkelden en waar vandaag de dag families een wandelingetje maken. Aan de beide uiteinden van de kathedraal liggen de stoffelijke resten van andere heiligen op rustplaatsen van gebed en stilte. Als je de kathedraal binnengaat, wordt je aanvankelijk bevangen door het dwingende halfduister van de ruimte. Je hebt de zon en de hemel achter de zware kerkdeur gelaten en het duurt enige tijd voordat je ogen zich verwijden en je jezelf kan herori?nteren en gewend raakt aan deze andere eigenschap van licht dat in gekleurde lichtbundels door antieke gebrandschilderde ramen stroomt. Je loopt via de enorme zuidelijke zijbeuk naar het schip van de kerk. Je geeft je over aan de ouderdom en immense omvang van de kathedraal. Duizend jaar oude pilaren strekken zich uit over 30 meter tot het plafond. Je voelt jezelf klein en onbelangrijk als je door de centrale zijbeuk loopt in de richting van het geluid van een koor dat zachtjes psalmen reciteert. Echo?s keren terug over de lengte van het schip als een vleugje wierookgeur op de bezieling van een luchtstroompje.
Onderweg door de lange centrale zijbeuk richting het koor, verschijnt er een man in een gewaad vanuit de schaduw en nadert je. Hij is een docent in deze kathedraal. Hij houdt van deze heilige plek, en het is zijn opdracht deze liefde te delen met de bezoekers. Hij biedt aan met je mee te lopen. Je bent hier eerder geweest. Je hebt door deze zijbeuken gelopen. Je hebt tegen de grafgewelven opgekeken en tegen het beeldhouwwerk en omhooggekeken naar de ramen. Je hebt geen bijzondere behoefte aan een gids, maar je verwelkomt het gezelschap en dus nodig je hem uit je te vergezellen.
Als jullie samen oplopen wijst de docent eerst op deze steen, dan deze zitplaats in het koor. Daar, zo wijst hij, zit de bisschop van Durham als de deken hem uitnodigt om als voorzitter op te treden. Maar of hij nou de bisschop is of niet, hij kan niet voorzitten als de deken hem niet daarvoor heeft uitgenodigd. Daar is de graftombe van een van de grootste heren van Northumbria, maar niet een van de meest gelovige. De docent wijst op de verandering in de kleur van de stenen die laten zien waar de Normandisch-Romaanse kathedraal ophoudt en de latere gotische toevoegingen beginnen, elke plooi in de muur vertelt ons dat hier en daar ooit een priv?-kapel stond.
Hij laat de verwoestingen zien van de protestanten toen Cromwell zijn troepen en paarden in de kathedraal ingekwartierd had. Hij laat het herinneringsboek van de mijnwerkers zien, waarin de naam van elke mijnwerker uit de omgeving die stierf bij een instorting of explosie voorzichtig is bijgeschreven.
Stilletjes hier iets aanwijzend, daar een verhaal vertellend wordt je je bewust van de rangschikking van leven en dood, van glorie en weeklagen, geheim gehouden in de muren van de kathedraal. Je wordt je er ook bewust van dat de docent meer verteld dan verhalen. Hij vertelt je dat hij het heilige op deze plek heeft ontmoet. Hij laat doorschemeren dat jij dat ook kan. Je herinnert je vorige bezoek aan deze kathedraal, reisgids in de hand, slechts een toerist temidden van een majestueus geestelijk gebouw. Ondanks alle pracht die je toen zag, het was een oppervlakkig bezoek als je het vergelijkt met nu. Op zijn best een oefening in historische curiosum en romantiek. Vandaag bracht de docent je tot de rand van iets volstrekt anders.
Samen gaan jullie op weg naar een plek achter en onder het hoge altaar, slechts verlicht door kaarsen. Een lage grafsteen van eenvoudig donker marmer, de naam van een heilige diep in de oppervlakte gegraveerd. Je voelt dat het hoogtepunt van deze vertrouwelijke rondleiding is bereikt. Je voelt ook dat je deze richting uit bent gestuurd met een vaardige en bekwame bedoeling. De docent vertelt je wat het eigenlijk voor hem betekent dat christenen hier met eerbied vervuld zijn en hier al veertienhonderd jaar met eerbied vervuld zijn. Hij spreekt van de heilige wiens beenderen aan je voeten liggen als over een vader of moeder die hij liefheeft en met wie hij nog steeds elke dag spreekt. Hij vertelt over wonderbaarlijke ervaringen die anderen op deze specifieke stenen hebben beleefd. Hij vertelt je waarom hij hier bidt. Zijn woorden, eenvoudig en bescheiden raken je. En als de docent wegsluipt ben je gebogen in gebed verzonken.
Rudolf Otto zegt van de bewustwording van het heilige dat het niet geleerd kan worden, het kan slechts ontwaken ?uit de geest?. [32] D?t moeten we zien terug te winnen in het hart van het religieuze leven. Verborgen binnen elke religieuze praktijk en geloofsgemeente. In weerwil van de formele bedoelingen, is er de mogelijkheid van de ontmoeting met het gewijde andere, de levende God die de menselijkheid verheft. De docent staat er middenin, contact zoekend, zorgzaam en leidinggevend. De docent wijst hier iets aan, merkt daar wat op, legt een fluwelen koord rond het mysterie in ons midden. [33]
Wanneer de docent onbekwaam is en onwetend, falend door gebrek aan ervaring en wijsheid, zorgeloos onwetend en zich niet bewust van de God in ons midden is het onwaarschijnlijk om veel van het gewijde te bespeuren. Prediking uit de mond van een onbekwame docent vervalt tot saaie herhalingen en vanzelfsprekendheden en voorverpakte clich?s of in de ijdele business van zelfpromotie. Zielzorg wordt dan enkel behoeftebevrediging zonder de notie dat we geroepen zijn tot genoegen van God.
De pastor heeft de kans, het motief en de mogelijkheid om een wonderbaarlijk ambt te vervullen, te wijzen op de signalen van Gods nabijheid, te leiden naar die plek waar het heilige gevonden kan worden, te leren leven met diepe eerbied en met ontzag in het huis van de heer te dienen. De roeping van de pastor is bovenal die van ondermeester bij de drempel van het heilige. De pastor heeft deze rol ? gewijd, onherleidbaar en verbouwereerd ? om de mensen te helpen in een bewustzijn van de aanwezigheid van God, waarin zij zichzelf herkennen als schepselen geschapen voor Gods eigen doel. Dit is natuurlijk een onmogelijke opgave. Maar een kundige docent in het huis van verwondering helpt om de voorwaarden te scheppen om het onmogelijke te laten plaatsvinden. In het cre?ren van deze condities ontkent de docent hun werkzaamheid door te betuigen dat God niet gekend kan worden door menselijke inspanning, dat God vrij is, ongebonden en onbegrensd en dat deze vrije God ons wil veranderen naar de gelijkenis van de Christus. Gebruikmakend van alle mogelijke instrumentele omstandigheden, zelfs pastors.
Veel mensen, zo wordt ons verteld, komen vandaag de dag naar de kerk voor een levensveranderende ervaring met de transcendente God. Tot hun teleurstelling vinden ze juist m??r geesteloos amusement, marketing, chauvinisme en belangstelling voor feestjes binnen de kerk, waarvan ze gehoopt hadden die buiten de kerkdeuren te laten. Een heilige God verlangt meer, en zo ook een heilig volk.
[1] Bijvoorbeeld: de schrijver levert geen wezenlijke theologische reflectie op de kerkleer of kerkdienst die hij aanprijst, ook schijnt hij de historische continu?teit van zijn zogenaamde ?nieuwe modelkerken? met het negentiende eeuwse bewegingen tot godsdienstige opleving niet te begrijpen. Hij schijnt ?f de formele structuren van een ?informele kerkdienst? niet te doorzien ?f de belangrijkheid van de verzorging van sacrament en woord in de bemiddeling van het heilige, om maar een paar kritiekpunten te noemen.
[ii] [2] Donald E. Miller, Reinventing American Protestantism: Christianity in the New Millennium (Berkeley: University of California Press, 1997), 3.
[3] Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen, want dat is de ware eredienst voor u. U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van u wil en wat goed, volmaakt en hem welgevallig is (Rom. 12:1-2).
[4] [4] Jonathan Edwards? Treatise Concerning the Religious Affections (1746) blijft bij voortduring de definitieve bron voor het begrijpen van deze gebeurtenis.
[5] [5] Seward Hiltner, Preface to Pastoral Theology: The Ministry and Theory of Shepherding (Nashville: Abingdon Press, 1958), 56.
6
Ibid.,19.
[7]
[7]
Ibid., 61.
[8]
Van
Gregorius
van
Nazianze (?
389),
Johannes
Chrysostomus
(? 407) en
Gregorius
de Grote (?
604) tot
Richard
Baxter (?
1691),
George
Herbert (?
1633),
Charles
Haddon
Spurgeon (?
1892) en
Reinhold
Niebuhr,
zijn deze
drie
perspectieven
(overdracht,
vereniging,
zielzorg)
historisch
in kaart
gebracht,
onderbouwd
en ter
sprake
gebracht in
de
gevarieerde
praktijk
van het
pastoraat.
[9] [9] David L. Bartlett, Ministry in the New Testament (Minneapolis: Fortress Press, 1993); Donald E. Messer, Contemporary Images of Christian Ministry (Nashville: Abingdon Press, 1989); Avery Dulles, Models of the Church (New York: Doubleday, vermeerderde druk 1987). Zelfs betrekkelijk onevenwichtige pogingen om het pastoraat te begrenzen tot een uitvoerend orgaan (zoals wordt voorgesteld in de gebruikelijke verkeerde interpretatie van H. Richard Niebuhrs beschrijving van de pastor als ?pastoraal directeur? [9]) of als een soort anti-uitvoerend orgaan (zoals in Henri J. M. Nouwens bekende idealistische visie op het kerkleiderschap [9]) naderen hetzelfde perspectief voor steun en kritiek van hun modellen. Zie: H. Richard Niebuhr, The Purpose of the Church and Its Ministry (New York: Harper & Row, 1956), 76-81.
Jackson Carroll merkt op dat Niebuhr ?poogt? een hertheologisering van de pastors rol. Net als Samuel Blizzard, ziet Niebuhr een aanzienlijke scheiding tussen wat pastors werkelijk doen tijdens bijeenkomsten ? hun toenemende bestuurlijke verantwoordelijkheden ? en de idee?n die ze hadden over de invulling van hun pastorale ambt. Als oplossing stelde hij voor om het aanzien van ?pastoraal directeur? te herstellen als een mogelijkheid om de ambtsdragers een meer geschikt concept van hun dienst te geven. Dit beeld was gebaseerd op de rol van de abt in benedictijner traditie die verantwoordelijk was voor het welzijn van de gemeenschap. Richard Niebuhr geloofde dat dit beeld, normatief ge?nterpreteerd, de pastors een theologisch ontwerp zou geven van hun kantoorbestemming naar de nieuwe omgeving waarin zij werkten. Natuurlijk konden zij doorgaan met preken, voorgaan in de dienst, onderwijzen, en geestelijke hulpverlening. Maar zij zouden ook begrijpen dat administratieve taken, een verre van noodzakelijk kwaad om zich te kunnen handhaven, essentieel zijn voor het opbouwen en vormen van een geloofsgemeenschap en het te helpen met het betrekken ervan in de opdracht om de liefde voor God en de naaste te vergroten. Helaas is de normatieve bedoeling van Niebuhrs beeld nooit goed begrepen of gewaardeerd en werd hij scherp bekritiseerd voor zijn voorstellen over een a-theologische ?grootondernemerachtige? kijk op het geestelijk ambt.? Jackson Carroll, ?Facing the Giants: Pastoral Leadership in a Time of Change,? een toespraak gehouden op de conferentie over ?Resources for the Journey of Pastoral Ministry,? Austin Presbyterian Theological Seminary, February 27, 2002, 14-15.
[10] [10] Hiltner, op cit., 58. Dit perspectief is, om een term te lenen van Duitse collega?s, die Ursache of, misschien wat preciezer uitgedrukt, das Urperspektive dat fundamenteel is aan en de kracht heeft om Hiltners perspectief van overdracht, gemeenschapsvorming en zielzorg door de gevarieerde praktijk van het pastoraat heen te herschikken.
[11] John T. McNeill, red., John Calvin on God and Political Duty (Indianapolis: The Bobbs-Merrill Company, Inc., tweede herziene druk, 1956), vii. McNeill tekent verder aan: ?In alle opzichten beklemtoont Calvijn zijn onwankelbare vertrouwen dat de hoge soeverein van het universum ook innig en innerlijk aanwezig is in de alledaagse werkelijkheid. Hij ziet God?s hand in alle historische gebeurtenissen en twijfelt er nooit aan dat in onze persoonlijke aangelegenheden en keuzes we ?elke dag met God te maken hebben.?
[12] [12] Merk op Friedrich Heiler, Prayer: A Study in the History and Psychology of Religion (Oxford: Oxford University Press, 1932), met name het hoofdstuk ?Prayer in Prophetic Religion,? 227-285.
[13] [13] Rudolf Otto, The Idea of the Holy: An Inquiry into the Non-rational Factor in the Idea of the Divine and Its Relation to the Rational (New York: Oxford University Press, 1958 / voor het eerst verschenen in 1923), 76-77.
[14] Rudolf Otto, Religious Essays: A Supplement to ?The Idea of the Holy,? Brian Lunn, tr. (London: Oxford University Press, 35. [The prophets? experience of God]
[15] Otto, Ibid., vi.
[16] See Isaiah Berlin, Three Critics of the Enlightenment: Vico, Hamann, Herder, Henry Hardy, editor (London: Pimlico Press, 2000), 280-312.
[17] Otto, The Holy, 83.
[18] Otto, Ibid., 85.
[19] S?ren Kierkegaard, Fear and Trembling, Howard V. Hong and Edna H. Hong, red./vert. (Princeton: Princeton University Press, 1983), passim.
[20] William James, The Varieties of Religious Experience: A Study in Human Nature: Being the Gifford Lectures on Natural Religion Delivered at Edinburgh in 1901-1902 (New York: The Modern Library edition, 1994), 210-284.
[21] Karl Barth, Church Dogmatics, G. W. Bromiley and T. F. Torrance, red. (Edinburgh: T. & T. Clark, 1975), I.1.322. Hierin ligt de cruciale paradox van Gods heiligheid en de alledaagsheid van Gods wereld: Hoe groter de aantrekkingskracht van God voor ons is, hoe helderder wij waarnemen dat wij schepselen zijn en dat alleen God de Schepper is. Het is de inwoning van de heilige God die ons overtuigt dat er tussen God en ons een oneindig kwalitatief verschil is [den unendlichen qualitativen Untershied]. Deze zin wordt meestal in verband gebracht met het voorwoord bij de tweede druk van Karl Barth, The Epistle to the Romans, Edwyn C. Hoskyns, vert. (Oxford: Oxford University Press, 1933). Maar zoals Walter Lowe in Theology and Difference (Bloomington: Indiana University Press, 1993) aantoont, is de zin afkomstig van Kierkegaard (33).
[22] E.M.Forster, Collected Short Stories (London: Sidgwick and Jackson, 1947).
[23] Toni Morrison, Beloved (New York: Plume, 1988), 123. John Irving, Flannery O?Connor, Ron Hansen, Iris Murdoch, en natuurlijk Gabriel Garc?a M?rquez om maar even een paar schrijvers te noemen die verlichtende en afschrikwekkende, levensveranderende, zuiverende confrontaties met het heilige te voorschijn hebben getoverd.
[24] Het verhaal vervolgt:
In een grote halve cirkel van schuim en glinsterend licht en glan?zende ruggen van groen water, sloot de grote weerdam de inham van oever tot oever af, verstoorde het hele rustige oppervlak met draaiende wervelingen en drijvende schuimstrepen en overstemde alle andere geluiden met zijn plechtig en kalmerend geruis. In het mid?den van de stroom, in de glinsterende omarming van het weerwater, lag een eilandje verankerd. Dicht omzoomd met wilgen en zilverber?ken en elzen. Schroomvallig, verlegen, maar vol betekenis. verborg het, wat het ook mocht zijn, achter een sluier en bewaarde het tot het uur zou komen en met dat uur zij die geroepen en uitverkoren waren.
Langzaam. maar zonder enige twijfel of aarzeling, en als in plechti?ge verwachting, staken de twee dieren het gebroken, rumoerige water over en legden hun boot vast aan de bloeiende zoom van het eiland. Ze stapten zwijgend aan wal en drongen door de bloesems en geuren?de kruiden en ondergroei heen omhoog naar de vlakke grond, tot ze op een grasveld van wondermooi groen stonden, omringd door vruchtbomen uit de natuur zelf: wilde appel, vogelkers en sleedoorn.
?Dit is de plaats van het lied uit mijn droom, de plaats waar de muziek van vertelde,? fluisterde de Rat als betoverd. ?Hier, op deze gewijde plaats, hier alleen zullen we Hem vinden!?
Toen beving de Mol opeens een grote Vrees, een vrees die zijn spie?ren verslapte, zijn hoofd omlaag boog en zijn poten aan de grond nagelde. Het was geen hevige schrik - hij voelde zich integendeel wonderlijk tevreden en gelukkig maar het was een vrees die hem greep en vasthield, en zonder te zien wist hij dat het alleen kon bete?kenen dat een verheven Verschijning zeer, zeer nabij was. Met moeite keek hij om naar zijn vriend en hij zag hem bevreesd, als geslagen en hevig trillend naast zich staan. En nog was het volkomen stil tussen de dicht met vogels bevolkte takken om hen heen, en het werd lichter en lichter.
Misschien zou hij nooit zijn ogen hebben durven opslaan, als niet de roepstem nog altijd gebiedend en dwingend scheen te klinken, hoewel het gefluit nu verstomd was. Hij kon geen weerstand bieden, al zou de Dood zelf staan wachten om hem meteen te treffen als zijn sterfelijke ogen dingen hadden gezien die terecht verborgen worden gehouden. Bevend gehoorzaamde hij en hief deemoedig zijn kop. En toen, in die pure helderheid van de ontluikende morgen, terwijl de natuur zich baadde in een onbeschrijfelijke kleurenpracht en op dat ogenblik haar adem scheen in te houden, keek hij recht in de ogen van de Vriend en Helper; zag de achterwaartse kromming van de gebogen hoorns, die glansden in het groeiende daglicht; zag de stren?ge, gebogen neus tussen de vriendelijke ogen, die opgewekt op hem neerkeken, terwijl de gebaarde mond zich in de hoeken tot een halve glimlach plooide; zag de spieren zich aftekenen op de arm die over de brede borst lag; de lange, lenige hand die nog altijd de panfluit vast?hield die nog maar pas van de geopende lippen was gegleden; zag de prachtige lijnen van de ruige ledematen, die in koninklijke rust op het gras lagen; zag, het allerlaatst, genesteld tussen zijn hoeven, diep in slaap en volkomen vredig en rustig het kleine, ronde dikke kinder?lijfje van de kleine otter. Dat alles zag hij ??n ogenblik, ademloos en intens, helder tegen de ochtendlucht, en hoewel hij keek leefde hij, en omdat hij leefde, verwonderde hij zich.
?Rat,? kon hij eindelijk bevend fluisteren, ?ben je bang??
?Bang?? mompelde de Rat en zijn ogen glansden van een onuit?sprekelijke liefde. ?Bang! Voor Hem! 0, nooit, nooit! En toch... en toch... ? Mol, ben ik bang!?
Toen hurkten de beide dieren op de grond en bogen hun koppen in eerbiedige hulde.
Kenneth Grahame, The Wind in the Willows (London: Puffin Books edition, 1994), 120-125. Originally published in 1908.
[25] C. S. Lewis, The Lion, the Witch and the Wardrobe (New York: Macmillan Publishing Company, 1950), 54. [De kronieken van Narnia / De leeuw de heks en de kleerkast
[26] Ibid., 64.
[27]
Otto,
The Holy,
85.
C. S.
Lewis,
Till We
Have Faces:
A Myth
Retold
(London:
Fount,
1978), 58.
[Deze roman
van C.S.
Lewis
(1898-1963)
is een
vrije
hervertelling
van het
sprookje
'Amor en
Psyche' van
Apuleius.
Hoofdpersoon
is de
lelijke en
daarom
gesluierde
koningsdochter
Orual, die
een grote
en jaloerse
liefde
koestert
voor haar
goddelijk
schone
zuster
Psyche,
wier
zelfstandige
ontwikkeling
zij met
vrees
gadeslaat;
zij ervaart
deze als
verraad van
hun band en
vooral als
verlies van
haar aan
Psyche zo
sterk
ontleende
identiteit.
Pas aan het
einde van
haar leven
gaan Orual
de ogen
open voor
de
zelfopofferende
liefde die
Psysche
haar altijd
heeft
toegedragen.
Deze
ontdekking
geeft Orual
haar 'ware
gelaat'
terug.]
[28]
Rudolf
Otto,
The Holy,
12-13.
De juiste
betekenis
van je
eigen
persoon in
de
aanwezigheid
van het
heilige,
volgens
Friedrich
Schleiermacher,
kan worden
benoemd als
?direct
gevoel?,
een
?intuitie?
of ?begrip?
van iemands
?volstrekte
afhankelijkheid
van God.?
Schleiermacher
maakt
duidelijk,
in zijn
uitleg van
?Godsbewustzijn?,
dat dit
meer dan
waar ook,
een vervolg
is op de
calvijnse
traditie.
Friedrich
Schleiermacher,
The
Christian
Faith,
H. R.
Mackintosh
en J. S.
Steward,
red.
(Edinburgh:
T. & T.
Clark,
1928),
3-31,
131-156.
Wat je ook
over
Calvijns
?Godskennis?
kan zeggen,
het is
gebaseerd
op een
wezenlijke
ongerustheid
die iemand
raakt in
zijn
ultieme
hulpeloosheid,
iemands
creatuurlijkheid,
in de
nabijheid
van het
Heilige.
John
Calvin,
Institutes
of the
Christian
Religion,
John T.
McNeill,
red.
(Philadelphia:
Westminster
Press,
1960),
I.1.,
35-36; zie
het
redactionele
commentaar.
Otto?s
begrip van
de
menselijke
reactie op
het heilige
stemt
overeen met
zowel
Calvin als
Schleiermacher
wanneer hij
observeert
dat wij in
de
aanwezigheid
van het
heilige
worden
bevangen
door een
?creatuurgevoel?,
het gevoel
een
schepsel te
zijn dat in
zijn eigen
niets
verzinkt en
vergaat
tegenover
datgene,
wat boven
alle
creatuur
is. Ontdaan
van een
zelfbewustzijn
in relatie
met het
numineuze,
het Heilige
worden onze
pretenties,
onze trots,
ons begrip
van
onafhankelijkheid
en macht
ontmanteld.
Otto,
Het heilige
p. 18 e.v.
[29]
Otto,
ibid.
31-49.
[30]
Jonathan
Edwards,
Religious
Affections,
John E.
Smith, red.
(New Haven:
Yale
University
Press,
1959), 263.
[31]
Abraham
Heschel,
Man Is Not
Alone: A
Philosophy
of Religion
(New York:
Farrar,
Straus and
Giroux,
1951),
282-284.
[32] Otto, op cit., 60.
[33] Een van de meest boeiende hedendaagse beschrijvingen van de roeping van de docent is van Richard Lischer, Open Secrets: A Spiritual Journey Through a Country Church (New York: Doubleday, 2001), een terugblik op zijn driejarige pastorale ambt in een lutherse gemeenschap. Hij schrijft: ?Onze reis naar Cana [zijn parochie] was een bedevaartstocht, misschien niet naar de hemelse stad, maar in ieder geval de diepste levensuitdrukking dat ons gegeven was. ?De glorie van God is het volle leven?, zei St. Irenaeus . Als hij gelijk had, dan heb ik de goddelijke glorie gezien waar ik het het minst verwachtte... Het enige dat ons deed verschillen met welke andere verwante groep dan ook was de mysterieuze aanwezigheid van Jezus binnen de gemeenschap. Wij waren zijn lichaam; en dat is geen beeldspraak. De alledaagse wereld is in staat om de Eeuwige te herbergen. Toen ik de uitdrukking van mijn gemeente aftastte, op mijn laatste zondag, voelde ik dat het theologische punt gemaakt was? (232).
[34] Karl Barth, The Word of God and the Word of Man, vert. Douglas Horton (Gloucester: Peter Smith, 1978 editie, eerste druk 1928), 108-109.
vertaling: Dani?l Mok ? Kerstmis 2005
vertaling: Dani?l Mok ? Kerstmis 2005
Michael Jinkins is hoogleraar Pastorale Theologie aan de Austin Presbyterian Theological Seminary, Austin, Texas
Journal of
Religious
Leadership,
Vol. 1, No. 2
(Herfst 2002),
pp.
1 - 20.
Docents in the
House of
Wonder:
Pastoral
Leadership,
Spiritual
Transformation,
and the Sacred
Other