Het Financieele Dagblad van 7 februari 1998
Auteur: Lookman, W.M.
Rubriek: Nederland
OUDE HAVENGEBIEDEN OP VOORSPRONG MET NIEUWE BOUWPROCESSEN
Als havengebieden 'de meest onverbiddelijke gebouwen in het meest onherbergzame deel' van een stad bevatten, zoals in een recent verschenen boek* wordt geponeerd, dan kunnen veranderingen daar voorlopers zijn van wat ons breder te wachten staat. Deze voorhoedefunctie lijkt plausibel voor wie kennisneemt van 'Het Kerend Tij - De rol van de gebruiker bij de herontwikkeling van havenpanden in Noord-West-Europa'. Uit het boek blijkt al direct dat de weerslag ruimer is, want ook de architectonisch meer autonome nieuwbouw op bijvoorbeeld het KNSM-eiland in Amsterdam komt ter sprake. Er zitten echter veranderingen in de lucht die de pioniersrol van de havengebieden in bouwprocessen onderstrepen.
Willen die veranderingen in de richting van meer invloed van de gebruikers op de gebouwde omgeving doorzetten, dan is het op z'n minst nodig dat onbevangen wordt gekeken naar de geschiedenis van de afgelopen dertig jaar. In het 'revolutiejaar' 1968 traden internationaal tendenties tot een verdergaande democratisering aan de dag. Al midden jaren zestig vormde zich in Nederland de Stichting Architecten Research (SAR), die onder John Habraken wilde afrekenen met de massawoningbouw en via de scheiding van drager en inbouw meer zeggenschap voor de bewoners trachtte te bereiken. Zonder dat hij de methode van de SAR onderschreef, behoort ook de bouweconoom prof. dr A. Hendriks tot de stroming uit die jaren die het bouwproces wilde omvormen. Hendriks beklemtoonde dat door de afnemende noodzaak tot uitbreidings-nieuwbouw en de wending naar vernieuwing van de voorraad bouwwerken vanzelf met de bewoners rekening moest worden gehouden. De stadsvernieuwing zou niet om ze heen kunnen en in het bouwproces kregen de producenten - die machtig zijn in een periode van schaarste - het in een ontspannen bouwmarkt minder voor het zeggen, ten gunste van opdrachtgevers/gebruikers.
In de jaren zeventig kwam het 'bouwen voor de buurt' op gang, weliswaar eenzijdig op het wonen gericht ten koste vaak van (ambachtelijke) bedrijvigheid, maar met dit voordeel dat de bewoners in het vizier kwamen. Tegelijk ontstond er meer respect voor overgeleverde bouwstructuren uit de negentiende en begin-twintigste eeuw, waar de traditionele monumentenzorg toen nog weinig oog voor had terwijl de doorsnee volkshuisvester dacht in termen van sloop met vervangende nieuwbouw. Zo werd de mogelijkheid geopend voor een evenwichtiger beschouwing van het verband tussen de voorraad bouwwerken en de daarvan afgeleide nieuwbouwproductie, die aanvullend en verbeterend zou moeten zijn.
Anno 1998 begint dan ook hier en daar het besef te dagen dat de basis van hoe we verder moeten met het bouwen in de afgelopen decennia is gelegd. Zo heeft het bureau voor onderzoek en ontwerp Crimson in Rotterdam in een recent boek over stedenbouwkundige herstructurering 'Re-Urb' een nadere beschouwing bepleit van de jaren zeventig en vroege jaren tachtig, daarmee aangevend dat het bij het ontwerpen om meer gaat dan om vormgeving en dat allereerst naar structuren en processen moet worden gekeken. Op vergelijkbare wijze laat de projectorganisatie van de Internationale Bauausstellung Emscher Park, die zich met regionale herstructurering in het noordelijk Ruhrgebied bezighoudt, zich mede inspireren door de vroege toepassing van het 'bouwen voor de buurt' zoals die in het Oude Westen van Rotterdam plaatsvond.
Inmiddels wordt ook de geschiedenis van de Stichting Architecten Research bestudeert. Samen met de architectuurhistoricus Koos Bosma werkt de jeugdige onderzoekster Dorine van Hoogstraten (1971) aan een studie over de SAR die later dit jaar moet verschijnen.
En dan nu dit boek over de [havengebieden] in Noord-West-Europa. Het is ontstaan op initiatief van het Gilde van Werkgebouwen aan het IJ en daarom hoeft het niet te verbazen dat Amsterdam wel en Rotterdam niet wordt behandeld. Verder komen aan de orde Bristol, Dublin en Liverpool, in Denemarken Kopenhagen en Odense en aan de Oostzeekust Rostock en Szczecin.
De uitersten worden gevormd door de volkomen ge?soleerde hippie-vrijstaat Christiania in Kopenhagen, die eigenlijk niet verder is gekomen dan folklore uit begin jaren zeventig, en de weliswaar uit krakersinitiatief geboren ontwikkelingen op de verschillende haveneilanden van Amsterdam, die geleid hebben tot een brede stroom van initiatieven waar ook established financiers en ontwikkelaars bij betrokken raakten. Telkens op de loer liggend nadeel is in Amsterdam het door de gemeente of het bedrijfsleven ingepakt worden, het voordeel is de brede orkestratie van mogelijkheden.
De compositie van het overigens interessante overzicht is weinig hecht, ook omdat veel ontwikkelingen nog lopen, zodat je eerder van een veredeld plakboek kunt spreken, in afwachting van meer definitieve geschiedschrijving. De doorkijkjes (ook letterlijk via vele foto's) in de noordelijke havens maken het daarnaast tot een soort familie-album. Toch goed dat het er is, als een soort werkboek ter ondersteuning van initiatieven elders. Want dat er meer komt, lijkt wel vast te staan. 'Bouwen van onderop' is geboden als men serieus werk gaat maken van ecologische eisen. En in de politiek is er het ijveren van het PvdA-Tweede-Kamerlid Adri Duivesteijn in de richting van bewonersparticipatie, dat ook zijn weerslag heeft gekregen in het verkiezingsprogramma 'Een wereld te winnen'.
Toeval zal wel zijn dat de titel van het hier besproken boek zo doet denken aan Hendriks' befaamde Keerpunt in de bouwproductie, de omslag van uitbreidings- naar vernieuwingsproductie waardoor de bouw in Hendriks' termen 'wordt opengetrokken'. Vermeldenswaard is dat consequent wordt gesproken van (actieve) gebruikers met vermijding van het marketing-geori?nteerde begrip 'woonconsument', dat een veel passievere lading heeft. Dit stemt overeen met de eveneens actieve opvatting over cultuur, die vooral in termen van productie wordt gezien en minder van consumptie in 'cultuurtempels'.
Interessant dat het ijveren voor de casco-aanpak van de woningbouwvereniging Het Oosten, die net als de SAR uitgaat van scheiding van verantwoordelijkheden van collectief en individu, nu in de context verschijnt. Terecht wordt de casco-benadering stedenbouwkundig uitgebreid tot wat in de zeventiende eeuw al in Amsterdam werd gepraktiseerd: individuele invulling door kooplieden van het door de overheid aangelegde grachtenpatroon.
In het hoofdstuk over de stad als casco komen op het eerste gezicht geavanceerde, maar in werkelijkheid eeuwenoude inzichten over het mengen van de functies wonen, werken en cultuur in het gelid. Zo blijkt de herbestemming van veemgebouwen voor participerende huisvesting overeen te komen met de collectieve gedachten waaruit ze ooit zijn ontstaan. Het Podium Werken aan het IJ heeft daarom een dubbele betekenis. Al doende kun je ook oefenen met publiek-private financiering, zonder dat daar deftige ministeri?le bureaus voor nodig zijn. Tussen beschouwende paragrafen hierover vallen dan weer 'knipsels' op, zoals hoe de Belgische architect Lucien Kroll reageert (als een vis in het water) en hoe de ontwerpster Liesbeth van der Pol aanvankelijk beducht is voor de doorkruising van de autonomie van het architectonisch ontwerp; haar eigenzinnige antwoord op de cascobenadering is verrassend.
Er wordt wel gezegd dat 'het' IJ-oeverproject van de gemeente Amsterdam mislukt is en dat geldt dan de prestigieuze projectontwikkeling van grote financiers en bouwers, maar het samenstel van qua bouwproces gevarieerde initiatieven op de haveneilanden zal de oevers van het IJ een eigen bekendheid geven. Dit boek helpt daar een handje bij.
W.M. LOOKMAN
*Het Kerend Tij/The Turning Tide. Door Peti Buchel en Bert Hogervorst (tekst) en Willem Vermaase (foto's).
Tweetalig: Nederlands/Engels.
240 pag. 200 foto's. / ISBN 90-70459-15-9.
Uitgeverij van Het Gilde van Werkgebouwen, Amsterdam