Uitgeverij Abraxas Amsterdam


Theoloog Arie van Houwelingen antwoordt Oegema:
?In het aangezicht van het Mysterie past alleen ontzag en overgave, en de erkenning dat wij stof en as zijn.?


Trouw, 15 april 2006

In het aangezicht van het Mysterie past alleen ontzag en overgave

door Arie van Houwelingen

?Het afgrondelijke en huiveringwekkende horen onlosmakelijk bij de religieuze ervaring. Deze afgrondelijkheid lijkt voor Jan Oegema d? verhindering om zich religieus over te geven, bijvoorbeeld aan de overweldigende schoonheid van de IJssel en er een spiegel Gods in te zien.?
Jan Oegema vraagt zich in zijn artikel in Letter & Geest (25 maart) af wat nu eigenlijk een religieuze ervaring is. Hij gaat uit van een mooie vervreemdingservaring van de jonge Bomans, waarin de bomen groene pilaren werden met een pluim erop en het water een plaat van grijs staal en de dingen geen naam meer hadden, de etiketten waren er afgevallen.

Bomans zelf vindt dit gevoel op zichzelf geen religieuze ervaring, maar iets dat daaraan vooraf gaat. Oegema denkt dat Bomans zijn ervaring niet voluit religieus durfde te noemen ?omdat zij niet harmonieus was?. Hij zelf pleit voor een inclusieve definitie van religiositeit, die niet alleen sensaties omsluit van harmonie, eenheid en gelukzaligheid, maar ook verlatenheid, ontzetting en absurditeit. En hij vindt dat die tweede donkere reeks er niet per se is omwille van de gelukzalige eerste reeks.

Rudolf Otto, Het heilige
In de godsdienstwetenschap is het Rudolf Otto geweest die de religieuze ervaring omschreef als de ervaring van het Heilige in zijn klassiek geworden boek onder de gelijknamige titel (Das Heilige). Hij noemt daarin het Heilige het numineuze, omdat ?heilig? meer is dan het volmaakt goede of, met Oegema, meer dan het harmonieuze. Van dit numineuze zegt Otto niet alleen dat het fascineert ?n afstoot (mysterium tremendum et fascinans), maar ook dat het zich aandient in het wonderbaarlijke, dat hij het mirum noemt. Dit mirum ligt b?ven elk begrip en kan alleen worden getoond.

Een voorbeeld daarvan vinden we in de hoofdstukken 38-40 van het boek Job. Job is met zijn vrienden in discussie gegaan tegen God, en hij krijgt gelijk (42,7). De vrienden mislukken in hun poging God te rechtvaardigen. Dan verschijnt God zelf om zich te verdedigen en Hij doet dit zo, dat Job door de knie?n gaat: ?Daarom herroep ik en doe boete in stof en as? (42,6).

Job is innerlijk overtuigd, hoe is dat zo gekomen? Hoe heeft God Job kunnen overtuigen? De Heer doet geen beroep op het ?Mijn wegen zijn hoger dan uw wegen?, dus met mijn handelen heb Ik bedoelingen die jij (nog) niet begrijpt, bijvoorbeeld om de vrome te beproeven en te louteren. Nee, God beroept zich hier op het wonderbaarlijke zelf, op het mysterie in zuivere, irrationele vorm. Bijvoorbeeld de struisvogel.

?De struisvogel staat opgewekt te klapwieken
maar schuilt er wel zorg in die vleugels en veren?
Zij legt haar eieren gewoon op de grond
en laat ze warm worden in het zand
en vergeet dat een voet ze licht verbrijzelen
en ?t veldgedierte ze vertrappen kan.
Hard is ze, als waren ?t vreemde, voor haar jongen,
was vruchteloos haar moeite, ?t deert haar niet.
Want God heeft wijsheid ver van haar gehouden
en haar geen deel gegeven aan verstand.
Wanneer zij fier met de vleugels klapt
dan lacht zij om het paard en zijn berijder.? (39,16-21)
(vertaling M. Rozelaar)

En zo, zegt Otto, is het ook met de wilde ezel en de wilde os (39, 5 en 9): ?dieren welker volmaakte ?dysteleologie? (gemaakt zonder een telos, doel) waarlijk prachtig wordt geschilderd?. Wonderbaarlijk als de ?wijsheid? van de wolken (38, 36), als het ?verstand? van de wolkengevaarten met hun geheimzinnig komen en gaan of als de wonderlijke Plejaden en de Orion en de Grote Beer. Al deze schepselen ??zouden voor een goddelijke ?wijsheid? die op doeleinden afgaat, de allerongelukkigste voorbeelden zijn??. Hier toont zich het mysterie, het mirum, het geheel onbegrijpelijke, het met raadselen spelen van de eeuwige macht van de Schepper, haar onberekenbaar, ?vostrekt anders? en met elk begrijpen spottend karakter, dat niettemin het gemoed tot in de diepte beroert, fascineert en met eerbied vervult.

Mircea Eliade: Het heilige en het profane
Oegema heeft dus gelijk met zijn stelling dat de religieuze ervaring niet alleen bestaat in mooie gevoelens. Het heilige ontwricht het gewone, alledaagse, trouwens ook als het fascineert en gelukzaligheid bewerkt. De kern is de ervaring van het volstrekt overmachtige, mateloze, oneindige. ?Gij hebt uw lichtjaar, ik mijn centimeter? (Gerard Reve). Ook in de bijbel vind je deze ervaring. Bijvoorbeeld waar Abraham in Genesis 18,27 zegt, ?Zie toch, ik heb mij verstout tot de HEER te spreken, hoewel ik stof en as ben.? Het ?oneindig kwalitatieve verschil? (K. Barth) tussen Schepper en schepsel wordt in zulke teksten zichtbaar. Er doet zich een Realiteit voor die is als de zon tegenover de mens als een flakkerend kaarsje. Eliade zegt in zijn Het heilige en het profane: ?Wanneer het heilige zich manifesteert door een willekeurige hi?rofanie, is er een openbaring van een absolute werkelijkheid, die staat tegenover de niet-werkelijkheid van de onmetelijke, omringende uitgestrektheid.? En de mysticus Gerhard Tersteegen drukt dat zo uit: ?Here God, alleen Gij kunt zeggen: Ik ben. Ja Amen, Gij zijt. Maar wat ben ik? En wat is alles? B?n ik wel en is alles wel? Wij zijn slechts, omdat Gij zijt en omdat Gij wilt dat wij zullen zijn?.

Bij het brandende braambos verbergt Mozes zijn gezicht, ?want hij vreesde God te zien? (Exodus, 3,6). En in het roepingsvisioen van Jesaja 6 wordt de profeet een blik in de hemel gegund en hoort hij de serafs zingen: ?Heilig, heilig, heilig is de HERE der heerscharen, de ganse aarde is van zijn heerlijkheid vol? en de reactie van Jesaja is dan: ?Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en ik woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is ? en mijn ogen hebben de Koning, de HERE der heerscharen gezien.?

Ook in het Nieuwe Testament vinden we de ontzetting over Jezus en zijn woorden en daden. Bijvoorbeeld in de uitroep van Petrus na de wonderbare visvangst: ?Heer, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens? (Lucas 5,8). Mensen worden ?met stomheid geslagen? of gaan juist ?God verheerlijken?. Ook de strijd van Jezus in Geths?mane lijkt veel meer te zijn dan doodsangst. Het is het sidderen van de creatuur voor de Heilige God, als Jacob bij de Jabbok. Toch is deze God ?die woont in een ontoegankelijk licht en die alleen onsterfelijkheid heeft en die geen der mensen gezien heeft of kan zien (1 Timote?s, 6,16), deze numineuze God is tegelijk voor Jezus Abba, Vader. Beide kanten horen onlosmakelijk bijeen in een, wat Otto noemt, ?contrast-harmonie?.

Het numineuze bij Maarten Luther (hoofdstuk 14 van Het heilige)
Ook Luther kent de huiver voor het Heilige, voor de Deus absconditus (de verborgen God). God als donkere afgrond die hem van tijd tot tijd ziek en melancholisch maakte en waarvoor hij wegvlucht in het sacrament, de absolutie en het Woord, ?als een haas in de rotsspleten?.
Want, zegt Luther, God is niet zoals de wereld of de (rechtvaardige) mensen. ?Onze God is een wonderlijke Heer, die niet rekent en schat zoals de wereld rekent, maar het houdt met nederigen en geringen. In de kern is God onbegrijpelijk en ontoegankelijk voor de menselijke rede. Luther kan God als een verterend vuur beschrijven en, zegt hij, ?wanneer een mens echt aan God denkt, verschrikt hem het hart in zijn lijf en hij zou wel uit de wereld willen weglopen?. Dan, zegt Otto, begrijpen wij pas wat het betekent dat dezelfde Luther het hele christendom als vertrouwend geloof voorstelt. De Ongenaakbare wordt genaakbaar, de Heilige blijkt louter goedheid. Ook al woont Hij in een ontoegankelijk Licht, niettemin gaan mensen er op af, omdat het huiveringwekkende tegelijk het fascinerende is. Maar in de donkere kant van God moeten wij beslist worden onderwezen, vindt Luther, ?want zonder die zou God geen God zijn en zonder de Deus absconditus zou de Deus revelatus (de geopenbaarde God) slechts een ?slaapkop? zijn en zonder zijn huiveringwekkende majesteit was de genade niet zo zoet.?

Overmacht die zich meldt in al zijn schitterende schoonheid en huiveringwekkende heiligheid
De ervaring van vervreemding die Bomans ooit had, of die Sartre?s hoofdpersoon Roquentin in Walging beleeft, zijn volgens Oegema net zo goed religieuze ervaringen als de sprakeloosheid van een moeder over haar pasgeboren kind. Deze definitie is wel breed genoeg, maar ook zuiver genoeg? Ik zou eerder met Bomans zeggen, dat zulke ontwrichtende ervaringen aan religieuze ervaringen vooraf gaan. Niet dat het afgrondelijke en vreesaanjagende maakt dat het geen religieuze ervaringen zijn, het is eerder de reactie op het overmachtige, die Oegema?s voorbeelden van ervaringen met het wonderbaarlijke seculier houden. Hij heeft het over verwondering en verbijstering, spreekt lyrisch over zijn wandelingen langs de IJssel, maar nergens een spoor van religieus ontzag en religieuze eerbied, Oegema gaat niet door de knie?n zoals Job. Hij blijft denken en beschouwen, hij geeft zich niet gewonnen, als het Mysterie aan zijn deur klopt. Zijn admirare (bewonderen) kan geen adorare (aanbidden) worden. Dat komt, zegt hij, omdat hij zelfs op de mooiste plek op aarde nooit helemaal kan vergeten wat ?de stratosfeer aan het gezicht onttrekt?, een heelal waar de harmonie der sferen als keerzijde een ?astraal Bagdad? heeft en de fraaie foto?s van de Hubble-telescoop als duotoon ?zuigende zwarten en helbleke lijktinten? vertonen.
Maar hoe hebben we het nu? Hebben niet ?n de godsdienstwetenschap en Oegema zelf vastgesteld dat het afgrondelijke en huiveringwekkende onlosmakelijk bij de religieuze ervaring behoren? Tegelijk lijkt deze afgrondelijkheid voor Oegema d? verhindering om zich religieus over te geven, bijvoorbeeld aan de overweldigende schoonheid van de IJssel en er ?een spiegel Gods? in te zien. Terecht weigert hij overgave aan een op de menselijke, positieve maat gesneden God. Want onze wereldervaring is niet alleen harmonie en vrede, we w?ten van de afgrond en de verlatenheid. En de vraag wordt dan, hoe doen religieuze mensen dat, hoe is overgave mogelijk aan een Godheid, die als een Krishna in twee gedaantes bouwt en breekt, leven geeft en neemt, Liefdegod en demon tegelijk is?
Wat godsdiensten volgens Oegema doen, is het afgrondelijke, verschrikkelijke oproepen, om het daarna weer toe te dekken, te bezweren. Even gaat de Afgrond open, Jezus? verlatenheid aan het kruis, maar die wordt al weer snel toegedekt en gezien als een laatste beproeving, die leidt naar de Opstanding. Pasen is toedekken, het afgrondelijke bezweren, een ?troostsmoes? (Anna Enquist), want de Afgrond verdragen wij niet, de werkelijkheid moet weer haar gewone gedaante aannemen.
Mijn antwoord aan Oegema is, als de verlatenheid niet voor God beleefd kan worden (?Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?), dan kan het ?in uw handen beveel ik mijn geest? alleen als toedekking en bezwering gezien worden. Dan is er alleen een afgrond die zich zo nu en dan opent en gelukkig snel weer sluit, en kan zelfs het licht van de IJssel iemand niet verleiden om zich prijs te geven aan een onbegrijpelijke Overmacht die zich meldt in al zijn schitterende schoonheid en huiveringwekkende heiligheid. Wie deze deur niet binnen durft te gaan, mist dan ook het fascinerende, zaligende van dit Mysterie.

Het overschuimende, het numineuze
verbijstert, doet huiveren, slaat mensen met stomheid, maar, zegt Otto in zijn Das Heilige, het fascineert ook. ?Vor dem mir graut ? zu dem michs dr?ngt?, ik ben bang voor U en ik verlang naar U. De aanraking van het numineuze wekt schrik ?n verlangen. Om dat laatste wordt God om zijnszelfs wil gezocht. Men probeert zich te vullen, te vereenzelvigen met het Mysterie, men wil ?in de Geest zijn?, om ?de vrede die alle verstand te boven gaat?. Het Heilige wordt hier beleefd als een uiterst positieve Realiteit, als een ?ongehoorde zaliging?, tegelijk echter weer zo, dat hier niets kan worden verklaard of begrijpelijk gemaakt, maar slechts bel??fd. Daarom kan er alleen over gestameld worden: ?Diepte zonder grond?, ?onbegrijpelijke zee?.

O, wer doch gar w?r? ertrunken
In der Gottheit Urgrundsee,
Damit er w?r? ganz entsunken
Allem Kummer, Angst und Weh.
(Ernst Lange)

William James, Vormen van religieuze ervaring
Nog ??n stap verder en we zijn bij wat Otto het ?overschuimende?, het zalig ontroerde, het buiten zichzelf zijn noemt, vooral in het moment van de bekering. William James heeft van zulke ervaringen een aantal verzameld in zijn The varieties of religious experience:
?Ik ondervond in dit ogenblik niets dan onuitsprekelijke vreugde en geluk. Het is onmogelijk de ervaring volledig te beschrijven. Het was als de uitwerking van een groot orkest, wanneer alle afzonderlijke tonen samenvallen tot een harmonie, die in de toehoorder slechts het gevoel wekt, dat zijn ziel wordt omhoog geheven en van verrukking bijna uiteenspringt?.
We naderen hier het mystieke hart van elke godsdienst. Zo is Boeddha?s Nirvana slechts voor het begrip een negativum, maar voor het gevoel een positivum van de sterkste vorm.

Mysterium tremendum & fascinans
Zoals het tremendum Gods strenge gerechtigheid ?laadt?, zo het fascinans de liefde en goedheid Gods. Luther kent ook deze laatste, de ?Dionysische zaligheid?:
?Christenen zijn een zalig volk, die zich van harte kunnen verheugen en roemen, in de handen klappen, dansen en springen. Dat doet God genoegen en het doet onze harten goed, als wij op God trots zijn, pralen en vrolijk zijn. Zo?n geschenk moet immers louter vuur en licht in onze harten brengen, zodat wij nooit meer kunnen ophouden van vreugde te dansen en te springen. Het is niet uit te spreken, noch te begrijpen. Wanneer je het werkelijk in het hart voelt, dan zal het je zo iets groots zijn, dat je er veeleer over zult zwijgen?.
Ook het geloof krijgt bij Luther een numineuze lading, waar het de middeleeuwse mystieke ?minne? nadert. Dit geloof maakt mensen ??n met God (?tot ??n koek met God?). Geloof bij Luther lijkt op de mystieke zielegrond, waar de vereniging plaatsvindt.
Want in de mystiek vinden we vooral de kant van het fascinans. Hoewel ook hier de andere kant niet ontbreekt, waar er sprake is van de donkere nacht, de woestijn der godheid, de afgrond, waarin de ziel moet ingaan, de kwelling van de verlatenheid, de dorheid, de verveling. Toch lijkt de positieve kant te overheersen. Bijvoorbeeld bij Hadewijch die in al haar werken varieert op hetzelfde thema: ?De minne es al?.

Het principieel onbegrepene en van een andere orde
Waarom blijft Oegema steken bij enerzijds vervreemdende afgrondervaringen en anderzijds de schoonheid en vrede van de IJssel? Volgens Otto heeft ieder mens een aanleg, een zoals hij het noemt ?zielegrond?, die door het Heilige geraakt kan worden. Het zintuiglijk gegevene is de prikkel die het gevoel voor het numineuze opwekt. Dit leidt tot een eigensoortig kennen. Want een mysterie is geen raadsel of probleem dat (nog) niet is opgelost, maar is het principieel onbegrepene en van een andere orde. We kunnen er wel kennis aan krijgen, maar het niet begrijpen, zoals dat ook geldt van jezelf en de ander. In het Heilige wordt iets ervaren van wat boven de wereld uitgaat ?n ermee is verbonden. Er meldt zich Iets waar een leven lang naar gezocht wordt. De mysticus Heinrich Suso (1295-1366) zegt: ?Mijn ziel heeft vanaf zijn jeugd iets gezocht met een haastende dorst en wat dat is heb ik ook nu nog niet volkomen begrepen. En toch is het iets, dat mijn hart en mijn ziel meetrekt en zonder hetwelk ik nooit tot echte rust kan komen.?

Er wordt iets verstaan zonder dat het wordt begrepen. Zoals Luther zegt: God kan men niet begrijpen en men voelt Hem toch. Maar om daar kennis aan te krijgen, moet intellectuele distantie losgelaten worden. In het aangezicht van het Mysterie past alleen ontzag en overgave, en de erkenning dat wij ?stof en as? zijn. Eenmaal door deze deur binnen gegaan ?rest er niets meer dan te zingen? (Gezang 300, Liedboek voor de Kerken).

Arie van Houwelingen is predikant te Borne.


Godsdienstwetenschappelijke publicaties

Rudolf Otto: Het heilige


De grote theoloog Rudolf Otto omschreef in de eerste helft van de twintigste eeuw de ervaring van het goddelijke, het heilige, als een mysterium terribile & fascinans, een mysterie dat niet alleen fascinerend is, iets dat ons op een verleidelijke wijze aantrekt, maar dat tevens iets is dat ons met angst en ontzag vervult en ons ten volle bewust maakt van onze eigen onbestendige, hachelijke positie op deze planeet, ons onmiskenbaar laat zien hoe afhankelijk we zijn van alles en iedereen en dat we geen zelfstandige uitweg hebben. Men hoeft niet gelovig te zijn om dat te kunnen beseffen. Als wij ons zouden realiseren hoe afhankelijk we zijn dan kunnen we dit creatief gebruiken om een groter gevoel van spiritualiteit op te bouwen. Wat op 11 september gebeurde was gruwelijk en tegelijkertijd een openbaring, een revelatie, een woord dat in zijn oorspronkelijke Latijnse vorm het afnemen van een sluier betekent. Even was een sluier weggerukt die tussen ons en de werkelijkheid lag. We zagen plotseling een realiteit die we voorheen niet goed zagen, we ervoeren voorheen niet volledig wat onze ware positie in de wereld is. We zaten vol blinde trots, arrogantie, we hadden een misplaatst gevoel van veiligheid, maar nu hebben we een blik op de werkelijkheid geworpen. En de angst die dat oproept moet een onderdeel zijn van die werkelijkheid, want om op het citaat van Joachim Fest over beschaving terug te komen, wij voelen nu dezelfde angst, hetzelfde gevoel van geen greep te hebben, dezelfde soort kwetsbaarheid als al die miljoenen mensen in ontwikkelingslanden elke dag weer ervaren. Dit inzicht kan ons helpen om te ervaren wat zij al vanaf hun geboorte ervaren, het besef geen greep op de werkelijkheid te hebben, dat iets de mens ineens van buitenaf kan treffen, ons onverwacht en onterecht vreselijk kan straffen en het gevoel van haat die dat oproept, dat is wat de moslims hun hele leven al voelen. Als we dit besef op een creatieve manier kunnen gebruiken om contact te leggen met in dit geval de islamitische wereld, als we onze eigen angsten dus als uitgangspunt gebruiken voor een nieuw begrip van wat de moslims al lang voelen dan zal er iets goeds komen uit deze verschrikking.

(Karen Armstrong)


 

 

 

 

 

 

 

 

 

William James: Vormen van religieuze ervaring


Een licht gewijzigde herdruk onder een iets andere titel van de vertaalde lezingen over de diversiteit aan religieuze ervaringen die voor het eerst in 1902 in het Engels verschenen. De voorlaatste druk in het Nederlands verscheen in 2003. De nieuwe druk is met name verschillend van de vorige op relatieve vertalingtechnische punten, en kan doordat de paginering gelijkloopt met de eerdere druk er gemakkelijk naast gehouden worden. De auteur van dit boek (1842-1910) was arts, psycholoog en filosoof en pionier op het gebied van de godsdienstpsychologie. Door dit boek is hij zeer bekend en veelgelezen geworden, ook door een breed publiek. Dit boek is een klassieker. Gelet op de grote interesse voor allerlei vormen van godsdienst, een boek dat zeker op belangstelling kan rekenen.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Zoals in Het heilige en het profane is terug te vinden, wordt de wereldvisie van Mircea Eliade beheerst door de ontheiliging van de moderne westerse beschaving, die door de secularisatie van haar religieuze gedragspatroon de mensen in een nieuwe exis?tenti?le situatie heeft doen terechtkomen. In de moderne we?reld zijn volgens Eliade de mythen en rituelen niet verdwenen, maar aan het oog onttrokken en vervormd, en hun betekenis is te veel naar het onderbewustzijn gedrongen, waardoor zij niet volledig kunnen worden beleefd en dus ook geen basis kunnen vormen voor een gedragslijn.

In schriftloze samenlevingen echter, waar de techni?sche ontwikkeling niet is doorgedrongen en de behoefte aan traditie sterker is dan het streven naar vooruitgang, heeft het leven een ritueler karakter, waardoor allerlei regelmatig te?rugkerende evenementen een meer centrale plaats krijgen en ook intenser worden beleefd. In een dergelijke samenleving heeft ook het begrip tijd een andere waarde dan bij ons. Elia?de legt uit dat niet alleen ruimtes kwalitatief van elkaar kun?nen verschillen (omdat een bepaalde plaats een bijzondere be?tekenis kan hebben en daarmee tot gewijde of heilige ruimte wordt), maar dat er ook verschillende soorten tijd zijn. Naast de ge?wone tijdsduur bestaat er gewijde tijd, waarin een heilige ge?beurtenis uit het verleden in het heden wordt opgeroepen. Zo'n tijdsbestek kan dan ook eindeloos worden herhaald, wat het een aspect van oneindigheid verleent en in zeke?re zin tijdloos maakt, dat wil zeggen boven het normale tijds?verloop verheft, en daarmee de mensen die aan zo'n evene?ment deelnemen, boven de 'normale' realiteit uit doen stijgen.

(Liesbeth Ziedses des Plantes)


Mircea Eliade roept in dit inmiddels klassieke werk de antieke wereld op die nog geen scheiding kende tussen het heilige en het alledaagse.
Het dagelijkse leven was ingebed in het heilige.
Een huis was niet alleen praktisch maar ook heilig omdat het een afspiegeling was van het scheppingswerk van de goden. De opening in de nok was niet alleen een rookafvoer maar symboliseerde vooral de blijvende verbinding met de kosmos.
Eliade schetst een wereld van betekenissen achter betekenissen en laat in dit meesterwerkje met veel overtuigende voorbeelden zien hoe inhoud en structuur van ons onbewuste verbazingwekkende overeenkomsten vertonen met de mythologie?n van ?lle volkeren op aarde.
Het religieuze met zijn rituelen en symbolen bepaald nog steeds het leven van de mens. Zelfs de huidige maatschappij berust op religieuze structuren.


Rudolf Otto:
Het heilige

Over het buitenredelijke van het numineuze

Fenomenologische Klassieken deel 2

3e druk
vertaald door Dani?l Mok en Jo Dippel
redactionele begeleiding: Julia Boulanger
? Copyright 2002 Uitgeverij Abraxas Amsterdam

ISBN 90-807300-1-7
genaaid gebrocheerd
256 pagina's


? 24,90

 


William James:
Vormen van religieuze ervaring

Een onderzoek naar het wezen van de mens

Fenomenologische Klassieken deel 3

5e druk
vertaald door Dani?l Mok en Johan van Tricht
redactionele begeleiding: Julia Boulanger

?
Copyright 2005 Uitgeverij Abraxas Amsterdam

ISBN 90-807300-2-5
genaaid gebrocheerd
400 pagina's

? 27,50

 

 


Mircea Eliade
Het heilige en het dagelijkse leven

Een onderzoek naar het wezen van de religie

Fenomenologische Klassieken deel 6

5e druk
vertaald door Dani?l Mok
redactionele begeleiding: Julia Boulanger
? Copyright 2006 Uitgeverij Abraxas Amsterdam

ISBN 90-807300-8-4
genaaid gebrocheerd
Verschijningsdatum: najaar 2006

ca. ? 25,00