Theoloog Arie
van Houwelingen
antwoordt
Oegema:
?In het
aangezicht van
het Mysterie
past alleen
ontzag en
overgave, en de
erkenning dat
wij stof en as
zijn.?
Trouw,
15 april 2006
In het aangezicht van het Mysterie past alleen ontzag en overgave
door Arie van Houwelingen
?Het
afgrondelijke
en
huiveringwekkende
horen
onlosmakelijk
bij de
religieuze
ervaring. Deze
afgrondelijkheid
lijkt voor Jan
Oegema d?
verhindering om
zich religieus
over te geven,
bijvoorbeeld
aan de
overweldigende
schoonheid van
de IJssel en er
een spiegel
Gods in te
zien.?
Jan Oegema
vraagt zich in
zijn artikel in
Letter & Geest
(25 maart) af
wat nu
eigenlijk een
religieuze
ervaring is.
Hij gaat uit
van een mooie
vervreemdingservaring
van de jonge
Bomans, waarin
de bomen groene
pilaren werden
met een pluim
erop en het
water een plaat
van grijs staal
en de dingen
geen naam meer
hadden, de
etiketten waren
er afgevallen.
Bomans zelf vindt dit gevoel op zichzelf geen religieuze ervaring, maar iets dat daaraan vooraf gaat. Oegema denkt dat Bomans zijn ervaring niet voluit religieus durfde te noemen ?omdat zij niet harmonieus was?. Hij zelf pleit voor een inclusieve definitie van religiositeit, die niet alleen sensaties omsluit van harmonie, eenheid en gelukzaligheid, maar ook verlatenheid, ontzetting en absurditeit. En hij vindt dat die tweede donkere reeks er niet per se is omwille van de gelukzalige eerste reeks.
Rudolf Otto,
Het heilige
In de
godsdienstwetenschap
is het
Rudolf Otto
geweest die de
religieuze
ervaring
omschreef als
de ervaring van
het Heilige in
zijn klassiek
geworden boek
onder de
gelijknamige
titel (Das
Heilige).
Hij noemt
daarin het
Heilige het
numineuze,
omdat ?heilig?
meer is dan het
volmaakt goede
of, met Oegema,
meer dan het
harmonieuze.
Van dit
numineuze zegt
Otto niet
alleen dat het
fascineert ?n
afstoot
(mysterium
tremendum et
fascinans),
maar ook dat
het zich
aandient in het
wonderbaarlijke,
dat hij het
mirum noemt.
Dit mirum ligt
b?ven elk
begrip en kan
alleen worden
getoond.
Een voorbeeld daarvan vinden we in de hoofdstukken 38-40 van het boek Job. Job is met zijn vrienden in discussie gegaan tegen God, en hij krijgt gelijk (42,7). De vrienden mislukken in hun poging God te rechtvaardigen. Dan verschijnt God zelf om zich te verdedigen en Hij doet dit zo, dat Job door de knie?n gaat: ?Daarom herroep ik en doe boete in stof en as? (42,6).
Job is innerlijk overtuigd, hoe is dat zo gekomen? Hoe heeft God Job kunnen overtuigen? De Heer doet geen beroep op het ?Mijn wegen zijn hoger dan uw wegen?, dus met mijn handelen heb Ik bedoelingen die jij (nog) niet begrijpt, bijvoorbeeld om de vrome te beproeven en te louteren. Nee, God beroept zich hier op het wonderbaarlijke zelf, op het mysterie in zuivere, irrationele vorm. Bijvoorbeeld de struisvogel.
?De struisvogel
staat opgewekt
te klapwieken
maar schuilt er
wel zorg in die
vleugels en
veren?
Zij legt haar
eieren gewoon
op de grond
en laat ze warm
worden in het
zand
en vergeet dat
een voet ze
licht
verbrijzelen
en ?t
veldgedierte ze
vertrappen kan.
Hard is ze, als
waren ?t
vreemde, voor
haar jongen,
was vruchteloos
haar moeite, ?t
deert haar
niet.
Want God heeft
wijsheid ver
van haar
gehouden
en haar geen
deel gegeven
aan verstand.
Wanneer zij
fier met de
vleugels klapt
dan lacht zij
om het paard en
zijn berijder.?
(39,16-21)
(vertaling M.
Rozelaar)
En zo, zegt
Otto, is het
ook met de
wilde ezel en
de wilde os
(39, 5 en 9):
?dieren welker
volmaakte
?dysteleologie?
(gemaakt zonder
een telos,
doel) waarlijk
prachtig wordt
geschilderd?.
Wonderbaarlijk
als de
?wijsheid? van
de wolken (38,
36), als het
?verstand? van
de
wolkengevaarten
met hun
geheimzinnig
komen en gaan
of als de
wonderlijke
Plejaden en de
Orion en de
Grote Beer. Al
deze schepselen
??zouden voor
een goddelijke
?wijsheid? die
op doeleinden
afgaat, de
allerongelukkigste
voorbeelden
zijn??. Hier
toont zich het
mysterie, het
mirum, het
geheel
onbegrijpelijke,
het met
raadselen
spelen van de
eeuwige macht
van de
Schepper, haar
onberekenbaar,
?vostrekt
anders? en met
elk begrijpen
spottend
karakter, dat
niettemin het
gemoed tot in
de diepte
beroert,
fascineert en
met eerbied
vervult.
Mircea Eliade:
Het heilige en
het profane
Oegema heeft
dus gelijk met
zijn stelling
dat de
religieuze
ervaring niet
alleen bestaat
in mooie
gevoelens. Het
heilige
ontwricht het
gewone,
alledaagse,
trouwens ook
als het
fascineert en
gelukzaligheid
bewerkt. De
kern is de
ervaring van
het volstrekt
overmachtige,
mateloze,
oneindige. ?Gij
hebt uw
lichtjaar, ik
mijn
centimeter?
(Gerard Reve).
Ook in de
bijbel vind je
deze ervaring.
Bijvoorbeeld
waar Abraham in
Genesis 18,27
zegt, ?Zie
toch, ik heb
mij verstout
tot de HEER te
spreken, hoewel
ik stof en as
ben.? Het
?oneindig
kwalitatieve
verschil? (K.
Barth) tussen
Schepper en
schepsel wordt
in zulke
teksten
zichtbaar. Er
doet zich een
Realiteit voor
die is als de
zon tegenover
de mens als een
flakkerend
kaarsje. Eliade
zegt in zijn
Het heilige en
het profane:
?Wanneer het
heilige zich
manifesteert
door een
willekeurige
hi?rofanie, is
er een
openbaring van
een absolute
werkelijkheid,
die staat
tegenover de
niet-werkelijkheid
van de
onmetelijke,
omringende
uitgestrektheid.?
En de mysticus
Gerhard
Tersteegen
drukt dat zo
uit: ?Here God,
alleen Gij kunt
zeggen: Ik ben.
Ja Amen, Gij
zijt. Maar wat
ben ik? En wat
is alles? B?n
ik wel en is
alles wel? Wij
zijn slechts,
omdat Gij zijt
en omdat Gij
wilt dat wij
zullen zijn?.
Bij het
brandende
braambos
verbergt Mozes
zijn gezicht,
?want hij
vreesde God te
zien? (Exodus,
3,6). En in het
roepingsvisioen
van Jesaja 6
wordt de
profeet een
blik in de
hemel gegund en
hoort hij de
serafs zingen:
?Heilig,
heilig, heilig
is de HERE der
heerscharen, de
ganse aarde is
van zijn
heerlijkheid
vol? en de
reactie van
Jesaja is dan:
?Wee mij, ik ga
ten onder, want
ik ben een man,
onrein van
lippen, en ik
woon te midden
van een volk,
dat onrein van
lippen is ? en
mijn ogen
hebben de
Koning, de HERE
der heerscharen
gezien.?
Ook in het
Nieuwe
Testament
vinden we de
ontzetting over
Jezus en zijn
woorden en
daden.
Bijvoorbeeld in
de uitroep van
Petrus na de
wonderbare
visvangst:
?Heer, ga uit
van mij, want
ik ben een
zondig mens?
(Lucas 5,8).
Mensen worden
?met stomheid
geslagen? of
gaan juist ?God
verheerlijken?.
Ook de strijd
van Jezus in
Geths?mane
lijkt veel meer
te zijn dan
doodsangst. Het
is het sidderen
van de creatuur
voor de Heilige
God, als Jacob
bij de Jabbok.
Toch is deze
God ?die woont
in een
ontoegankelijk
licht en die
alleen
onsterfelijkheid
heeft en die
geen der mensen
gezien heeft of
kan zien (1
Timote?s,
6,16), deze
numineuze God
is tegelijk
voor Jezus
Abba, Vader.
Beide kanten
horen
onlosmakelijk
bijeen in een,
wat Otto noemt,
?contrast-harmonie?.
Het numineuze
bij Maarten
Luther
(hoofdstuk 14
van Het
heilige)
Ook Luther kent
de huiver voor
het Heilige,
voor de Deus
absconditus (de
verborgen God).
God als donkere
afgrond die hem
van tijd tot
tijd ziek en
melancholisch
maakte en
waarvoor hij
wegvlucht in
het sacrament,
de absolutie en
het Woord, ?als
een haas in de
rotsspleten?.
Want, zegt
Luther, God is
niet zoals de
wereld of de
(rechtvaardige)
mensen. ?Onze
God is een
wonderlijke
Heer, die niet
rekent en schat
zoals de wereld
rekent, maar
het houdt met
nederigen en
geringen. In de
kern is God
onbegrijpelijk
en
ontoegankelijk
voor de
menselijke
rede. Luther
kan God als een
verterend vuur
beschrijven en,
zegt hij,
?wanneer een
mens echt aan
God denkt,
verschrikt hem
het hart in
zijn lijf en
hij zou wel uit
de wereld
willen
weglopen?. Dan,
zegt Otto,
begrijpen wij
pas wat het
betekent dat
dezelfde Luther
het hele
christendom als
vertrouwend
geloof
voorstelt. De
Ongenaakbare
wordt
genaakbaar, de
Heilige blijkt
louter
goedheid. Ook
al woont Hij in
een
ontoegankelijk
Licht,
niettemin gaan
mensen er op
af, omdat het
huiveringwekkende
tegelijk het
fascinerende
is. Maar in de
donkere kant
van God moeten
wij beslist
worden
onderwezen,
vindt Luther,
?want zonder
die zou God
geen God zijn
en zonder de
Deus
absconditus zou
de Deus
revelatus (de
geopenbaarde
God) slechts
een ?slaapkop?
zijn en zonder
zijn
huiveringwekkende
majesteit was
de genade niet
zo zoet.?
Overmacht die
zich meldt in
al zijn
schitterende
schoonheid en
huiveringwekkende
heiligheid
De ervaring van
vervreemding
die Bomans ooit
had, of die
Sartre?s
hoofdpersoon
Roquentin in
Walging
beleeft, zijn
volgens Oegema
net zo goed
religieuze
ervaringen als
de
sprakeloosheid
van een moeder
over haar
pasgeboren
kind. Deze
definitie is
wel breed
genoeg, maar
ook zuiver
genoeg? Ik zou
eerder met
Bomans zeggen,
dat zulke
ontwrichtende
ervaringen aan
religieuze
ervaringen
vooraf gaan.
Niet dat het
afgrondelijke
en
vreesaanjagende
maakt dat het
geen religieuze
ervaringen
zijn, het is
eerder de
reactie op het
overmachtige,
die Oegema?s
voorbeelden van
ervaringen met
het
wonderbaarlijke
seculier
houden. Hij
heeft het over
verwondering en
verbijstering,
spreekt lyrisch
over zijn
wandelingen
langs de
IJssel, maar
nergens een
spoor van
religieus
ontzag en
religieuze
eerbied, Oegema
gaat niet door
de knie?n zoals
Job. Hij blijft
denken en
beschouwen, hij
geeft zich niet
gewonnen, als
het Mysterie
aan zijn deur
klopt. Zijn
admirare
(bewonderen)
kan geen
adorare
(aanbidden)
worden. Dat
komt, zegt hij,
omdat hij zelfs
op de mooiste
plek op aarde
nooit helemaal
kan vergeten
wat ?de
stratosfeer aan
het gezicht
onttrekt?, een
heelal waar de
harmonie der
sferen als
keerzijde een
?astraal
Bagdad? heeft
en de fraaie
foto?s van de
Hubble-telescoop
als duotoon
?zuigende
zwarten en
helbleke
lijktinten?
vertonen.
Maar hoe hebben
we het nu?
Hebben niet ?n
de
godsdienstwetenschap
en Oegema zelf
vastgesteld dat
het
afgrondelijke
en
huiveringwekkende
onlosmakelijk
bij de
religieuze
ervaring
behoren?
Tegelijk lijkt
deze
afgrondelijkheid
voor Oegema d?
verhindering om
zich religieus
over te geven,
bijvoorbeeld
aan de
overweldigende
schoonheid van
de IJssel en er
?een spiegel
Gods? in te
zien. Terecht
weigert hij
overgave aan
een op de
menselijke,
positieve maat
gesneden God.
Want onze
wereldervaring
is niet alleen
harmonie en
vrede, we w?ten
van de afgrond
en de
verlatenheid.
En de vraag
wordt dan, hoe
doen religieuze
mensen dat, hoe
is overgave
mogelijk aan
een Godheid,
die als een
Krishna in twee
gedaantes bouwt
en breekt,
leven geeft en
neemt,
Liefdegod en
demon tegelijk
is?
Wat
godsdiensten
volgens Oegema
doen, is het
afgrondelijke,
verschrikkelijke
oproepen, om
het daarna weer
toe te dekken,
te bezweren.
Even gaat de
Afgrond open,
Jezus?
verlatenheid
aan het kruis,
maar die wordt
al weer snel
toegedekt en
gezien als een
laatste
beproeving, die
leidt naar de
Opstanding.
Pasen is
toedekken, het
afgrondelijke
bezweren, een
?troostsmoes?
(Anna Enquist),
want de Afgrond
verdragen wij
niet, de
werkelijkheid
moet weer haar
gewone gedaante
aannemen.
Mijn antwoord
aan Oegema is,
als de
verlatenheid
niet voor God
beleefd kan
worden (?Mijn
God, mijn God,
waarom hebt Gij
mij verlaten?),
dan kan het ?in
uw handen
beveel ik mijn
geest? alleen
als toedekking
en bezwering
gezien worden.
Dan is er
alleen een
afgrond die
zich zo nu en
dan opent en
gelukkig snel
weer sluit, en
kan zelfs het
licht van de
IJssel iemand
niet verleiden
om zich prijs
te geven aan
een
onbegrijpelijke
Overmacht die
zich meldt in
al zijn
schitterende
schoonheid en
huiveringwekkende
heiligheid. Wie
deze deur niet
binnen durft te
gaan, mist dan
ook het
fascinerende,
zaligende van
dit Mysterie.
Het
overschuimende,
het
numineuze
verbijstert,
doet huiveren,
slaat mensen
met stomheid,
maar, zegt Otto
in zijn Das
Heilige, het
fascineert ook.
?Vor dem mir
graut ? zu dem
michs dr?ngt?,
ik ben bang
voor U en ik
verlang naar U.
De aanraking
van het
numineuze wekt
schrik ?n
verlangen. Om
dat laatste
wordt God om
zijnszelfs wil
gezocht. Men
probeert zich
te vullen, te
vereenzelvigen
met het
Mysterie, men
wil ?in de
Geest zijn?, om
?de vrede die
alle verstand
te boven gaat?.
Het Heilige
wordt hier
beleefd als een
uiterst
positieve
Realiteit, als
een ?ongehoorde
zaliging?,
tegelijk echter
weer zo, dat
hier niets kan
worden
verklaard of
begrijpelijk
gemaakt, maar
slechts
bel??fd. Daarom
kan er alleen
over gestameld
worden: ?Diepte
zonder grond?,
?onbegrijpelijke
zee?.
O, wer doch gar
w?r? ertrunken
In der Gottheit
Urgrundsee,
Damit er w?r?
ganz entsunken
Allem Kummer,
Angst und Weh.
(Ernst Lange)
William James,
Vormen van
religieuze
ervaring
Nog ??n stap
verder en we
zijn bij wat
Otto het
?overschuimende?,
het zalig
ontroerde, het
buiten zichzelf
zijn noemt,
vooral in het
moment van de
bekering.
William James
heeft van zulke
ervaringen een
aantal
verzameld in
zijn The
varieties of
religious
experience:
?Ik ondervond
in dit ogenblik
niets dan
onuitsprekelijke
vreugde en
geluk. Het is
onmogelijk de
ervaring
volledig te
beschrijven.
Het was als de
uitwerking van
een groot
orkest, wanneer
alle
afzonderlijke
tonen
samenvallen tot
een harmonie,
die in de
toehoorder
slechts het
gevoel wekt,
dat zijn ziel
wordt omhoog
geheven en van
verrukking
bijna
uiteenspringt?.
We naderen hier
het mystieke
hart van elke
godsdienst. Zo
is Boeddha?s
Nirvana slechts
voor het begrip
een negativum,
maar voor het
gevoel een
positivum van
de sterkste
vorm.
Mysterium
tremendum &
fascinans
Zoals het
tremendum Gods
strenge
gerechtigheid
?laadt?, zo het
fascinans de
liefde en
goedheid Gods.
Luther kent ook
deze laatste,
de ?Dionysische
zaligheid?:
?Christenen
zijn een zalig
volk, die zich
van harte
kunnen
verheugen en
roemen, in de
handen klappen,
dansen en
springen. Dat
doet God
genoegen en het
doet onze
harten goed,
als wij op God
trots zijn,
pralen en
vrolijk zijn.
Zo?n geschenk
moet immers
louter vuur en
licht in onze
harten brengen,
zodat wij nooit
meer kunnen
ophouden van
vreugde te
dansen en te
springen. Het
is niet uit te
spreken, noch
te begrijpen.
Wanneer je het
werkelijk in
het hart voelt,
dan zal het je
zo iets groots
zijn, dat je er
veeleer over
zult zwijgen?.
Ook het geloof
krijgt bij
Luther een
numineuze
lading, waar
het de
middeleeuwse
mystieke
?minne? nadert.
Dit geloof
maakt mensen
??n met God
(?tot ??n koek
met God?).
Geloof bij
Luther lijkt op
de mystieke
zielegrond,
waar de
vereniging
plaatsvindt.
Want in de
mystiek vinden
we vooral de
kant van het
fascinans.
Hoewel ook hier
de andere kant
niet ontbreekt,
waar er sprake
is van de
donkere nacht,
de woestijn der
godheid, de
afgrond, waarin
de ziel moet
ingaan, de
kwelling van de
verlatenheid,
de dorheid, de
verveling. Toch
lijkt de
positieve kant
te overheersen.
Bijvoorbeeld
bij Hadewijch
die in al haar
werken varieert
op hetzelfde
thema: ?De
minne es al?.
Het principieel
onbegrepene en
van een andere
orde
Waarom blijft
Oegema steken
bij enerzijds
vervreemdende
afgrondervaringen
en anderzijds
de schoonheid
en vrede van de
IJssel? Volgens
Otto heeft
ieder mens een
aanleg, een
zoals hij het
noemt
?zielegrond?,
die door het
Heilige geraakt
kan worden. Het
zintuiglijk
gegevene is de
prikkel die het
gevoel voor het
numineuze
opwekt. Dit
leidt tot een
eigensoortig
kennen. Want
een mysterie is
geen raadsel of
probleem dat
(nog) niet is
opgelost, maar
is het
principieel
onbegrepene en
van een andere
orde. We kunnen
er wel kennis
aan krijgen,
maar het niet
begrijpen,
zoals dat ook
geldt van
jezelf en de
ander. In het
Heilige wordt
iets ervaren
van wat boven
de wereld
uitgaat ?n
ermee is
verbonden. Er
meldt zich Iets
waar een leven
lang naar
gezocht wordt.
De mysticus
Heinrich Suso
(1295-1366)
zegt: ?Mijn
ziel heeft
vanaf zijn
jeugd iets
gezocht met een
haastende dorst
en wat dat is
heb ik ook nu
nog niet
volkomen
begrepen. En
toch is het
iets, dat mijn
hart en mijn
ziel meetrekt
en zonder
hetwelk ik
nooit tot echte
rust kan
komen.?
Er wordt iets
verstaan zonder
dat het wordt
begrepen. Zoals
Luther zegt:
God kan men
niet begrijpen
en men voelt
Hem toch. Maar
om daar kennis
aan te krijgen,
moet
intellectuele
distantie
losgelaten
worden. In het
aangezicht van
het Mysterie
past alleen
ontzag en
overgave, en de
erkenning dat
wij ?stof en
as? zijn.
Eenmaal door
deze deur
binnen gegaan
?rest er niets
meer dan te
zingen? (Gezang
300,
Liedboek voor
de Kerken).
Arie van
Houwelingen is
predikant te
Borne.
Godsdienstwetenschappelijke publicaties
|
(Karen Armstrong)
|
|
Zoals in Het heilige en het profane is terug te vinden, wordt de wereldvisie van Mircea Eliade beheerst door de ontheiliging van de moderne westerse beschaving, die door de secularisatie van haar religieuze gedragspatroon de mensen in een nieuwe exis?tenti?le situatie heeft doen terechtkomen. In de moderne we?reld zijn volgens Eliade de mythen en rituelen niet verdwenen, maar aan het oog onttrokken en vervormd, en hun betekenis is te veel naar het onderbewustzijn gedrongen, waardoor zij niet volledig kunnen worden beleefd en dus ook geen basis kunnen vormen voor een gedragslijn. In schriftloze samenlevingen echter, waar de techni?sche ontwikkeling niet is doorgedrongen en de behoefte aan traditie sterker is dan het streven naar vooruitgang, heeft het leven een ritueler karakter, waardoor allerlei regelmatig te?rugkerende evenementen een meer centrale plaats krijgen en ook intenser worden beleefd. In een dergelijke samenleving heeft ook het begrip tijd een andere waarde dan bij ons. Elia?de legt uit dat niet alleen ruimtes kwalitatief van elkaar kun?nen verschillen (omdat een bepaalde plaats een bijzondere be?tekenis kan hebben en daarmee tot gewijde of heilige ruimte wordt), maar dat er ook verschillende soorten tijd zijn. Naast de ge?wone tijdsduur bestaat er gewijde tijd, waarin een heilige ge?beurtenis uit het verleden in het heden wordt opgeroepen. Zo'n tijdsbestek kan dan ook eindeloos worden herhaald, wat het een aspect van oneindigheid verleent en in zeke?re zin tijdloos maakt, dat wil zeggen boven het normale tijds?verloop verheft, en daarmee de mensen die aan zo'n evene?ment deelnemen, boven de 'normale' realiteit uit doen stijgen. (Liesbeth Ziedses des Plantes)
Mircea
Eliade
roept in
dit
inmiddels
klassieke
werk de
antieke
wereld op
die nog
geen
scheiding
kende
tussen het
heilige en
het
alledaagse. |
|
Fenomenologische Klassieken deel 2
3e druk
|
Fenomenologische Klassieken deel 3
5e druk
ISBN
90-807300-2-5
? 27,50
|
Fenomenologische Klassieken deel 6
5e druk
ISBN
90-807300-8-4
|