"Het
Nederlandsche
Veem"
door Maurits
Nibbering
"Het
Nederlandsche
Veem" is
heruitgegeven
ter gelegenheid
van het
20-jarige
bestaan van De
Appelbloesem
Pers (anno 1
november 1971)
en werd
aangeboden
aan haar
relaties ?n aan
de leden van de
vereniging
Werkgebouw Het
Veem ter
gelegenheid van
haar 10-jarig
bestaan.
(Architectonische
kleinoden; nr.
1)
ISBN:
90-70459-07
nugi:
922
Van
etablissement
tot werkgebouw
Aan het IJ in
Amsterdam,
noordelijk van
de Westelijke
Eilanden, staan
tussen de Van
Diemenstraat en
de Barentszkade
vier voormalige
pakhuizen. Rond
de
eeuwwisseling
zijn ze
gebouwd. Aan de
vooravond van
de 21e eeuw
hebben ze een
nieuwe functie
gekregen; nu
zijn het
bedrijfsverzamelgebouwen.
Twee ervan
vormen samen
Werkgebouw Het
Veem. Het
grootste van
deze twee is in
architectuurhistorisch
opzicht het
meest
interessant.
Het is ook het
mooiste pand.
Het Veem heeft
als laatste van
de
bedrijfsverzamelgebouwen
in 1990/1991
een opknapbeurt
ondergaan.
Als enige van
de vier
gebouwen is het
zoveel mogelijk
in zijn
oorspronkelijke
waarde gelaten;
een juist
streven van de
huidige
gebruikers,
want het gebouw
is het op
meerdere
gronden waard.
Het is rond
1900 het eerste
moderne pakhuis
in het
westelijk
havengebied van
Amsterdam. In
de alleen voor
de gebruikers
zichtbare
kadezijde van
het gebouw is
het een tot nu
nauwelijks
opgemerkt,
schuchter
bouwkundig
ikoon van een
oude tijd, die
een nieuwe tijd
kust.
Vemen,
kanalen,
cultuurgoed,
stoom en schaal
Amsterdam
verwerft vanaf
de 16de eeuw
faam als
stapelplaats.
Handelsgoederen
worden hier
opgeslagen tot
de tijd rijp is
ze duur te
verkopen.
Als de
Rotterdamse
haven met de
aanleg van de
Nieuwe Waterweg
in de jaren
1870 een
beslissende
voorsprong
krijgt op
Amsterdam, is
het succes
vooral te
danken aan de
snelle doorvoer
van goederen.
In Amsterdam
krijgt de
stapelfunctie
in dezelfde
tijd ?kse
impulsen met de
aanleg van het
Noordzeekanaal,
de
schaalvergroting
in de haven als
gevolg van de
opkomst van de
stalen
(stoom)schepen
en de zekerheid
van aanvoer van
koloniale
cultuurprodukten
als kof?e,
thee, tabak en
rubber.
Nederland heeft
Indi? nog. De
cultuurgoederen
worden in die
jaren
grotendeels nog
opgeslagen in
pakhuizen die
sinds de
zestiende eeuw
in maat, soort
en locatie niet
gewijzigd zijn.
Het zijn
stevige
gebouwen van
vijf, zes
verdiepingen
met een
hijsbalk; het
oermodel van
een Amsterdams
pand. De
beheerstructuur
van de
pakhuizen is
eveneens
nauwelijks
gewijzigd.
Vemen zijn
vrijwillige
werkverbanden
van arbeiders
in een pakhuis,
te vergelijken
met een
kruising tussen
een
co?peratieve
vereniging en
een maatschap.
Samen hebben ze
een gelijk
belang in het
pakhuis en
samen zorgen ze
voor het beheer
en het gebruik.
Ze zijn niet
gebonden aan
handelsondernemingen.
Al in de
zeventiende
eeuw beheren
sommige vemen
meer dan een
pakhuis. In de
laatste
decennia van de
19de eeuw, als
schaalvergroting
de bouw van
nieuwe
pakhuizen nodig
en lucratief
maakt, blijkt
zoveel kapitaal
nodig dat de
kleinschalige
structuur niet
meer voldoet.
De vemen
reorganiseren
zich en komen
tot een
concentratie
van de
ondernemingen
in Naamloze
Vennootschappen.4
Voorafgegaan
door vele
andere
bedrijven
worden hun
aandelen aan de
beurs
genoteerd.5
Zoals de
Alkmaarse
kaasdragers nu
nog gegroepeerd
zijn naar de
kleur en aard
van hun hoeden,
zo was dat ook
bij de vemen
het geval. Met
behulp (en
onder sterke
aandrang) van
extern kapitaal
- onder meer
van de
Nederlandsche
Handelmaatschappij
- staken onder
meer die van
het
Purperhoedenveem
en het
Klapmutsenveem
de koppen bij
elkaar en
richtten in
1896 de N.V.
Het
Nederlandsche
Veem op. Alle
bestaande
pakhuizen,
loodsen en
havenfaciliteiten
worden in de
N.V.
ondergebracht.
Het motto 'Doen
kunnen we
alles, maar dan
ook alleen
allen samen' is
op een niet
personifieerbaar
niveau
gebracht.
Nederland sluit
zich aan bij de
moderne tijd.
Nieuwe
pakhuizen
worden gebouwd,
zowel in
Amsterdam als
in Rotterdam.
Later ook in
het buitenland.
Het proces zet
zich voort, in
de firma
Nedveem slaan
steeds meer
voormalige
concurrenten de
handen ineen,
de oude namen
als
Blauwhoudenveem
en
Waagdragersveem
leven voort in
het papier. In
1967 gaat
Nedveem op in
Pakhoed en in
1978 verlaat
Pakhoed de oude
pakhuizen aan
de Van
Diemenstraat.
Ze staan drie
jaar te wachten
op sloop of
hergebruik. De
IJ-oeverlobby
is in die jaren
nog niet zo
sterk gegroeid
dat het bolwerk
van de
krakersmacht
bedreigd wordt;
hergebruik is
in de jaren die
volgen daarom
het credo.
Het Oranje
Nassau Veem
De NV Het
Nederlandsche
Veem neemt in
1896 het
initiatief om
in het
westelijke deel
van het
Amsterdamse
havengebied een
etablissement
te bouwen voor
de op- en
overslag van
'koloniale'
produkten als
tabak, cacao en
koffie.
Het
hoofdgebouw,
ontworpen door
de Friese
broers Roelof
en Foeke
Kuipers aan de
Van
Diemenstraat 10
(nu nummer
410), komt
gereed in het
kroningsjaar
1898.
Toepasselijk
krijgt het de
naam Oranje
Nassau Veem.
Beschut gelegen
aan de
Houthaven met
directe toegang
tot IJ en
Noordzeekanaal,
is het gebouw
goed bereikbaar
voor zeeschepen
en dekschuiten.
Spoorrails
langs de Van
Diemenstraat
sluiten aan op
het rond de
eeuwwisseling
tot de
economische
levensader van
Europa
uitgegroeide
spoornet.
Electrisch
aangedreven
kranen en
liften7,
vlakke vloeren
van ruime
afmetingen met
een groot
draagvermogen
(overal
tenminste 3000
kg/m2) zijn
standaardvoorzieningen
voor een
dergelijke
moderne
handelsinrichting.
Welke produkten
opgeslagen
worden blijkt
uit de
monsterzalen op
de
zolderverdieping.8 Een
grote en drie
kleine ruimtes
ontvangen hun
licht uit het
noorden en zijn
zo speciaal
geschikt voor
het keuren van
de aangevoerde
partijen.
Andere vemen
volgen
Tegenwoordig is
tweederde van
het
overblijvende
terrein tussen
de Barentszkade
en de Van
Diemenstraat
bebouwd met
twee vemen van
vergelijkbare
grootte. In
navolging van
het hergebruik
door de
Veemkrakers
zijn deze
pakhuizen
eveneens in
gebruik als
bedrijfsverzamelpanden.
De exploitatie
van het veem
Koningin Emma
onder de
huidige naam
Y-Tech en het
belendende pand
Petjani-Pertjoet
pakhuis onder
de naam Y-Point
is commercieel.
Het aanzicht
van de
gevelwand aan
de Van
Diemenstraat is
door de
renovatie van
de afgelopen
jaren niet
bepaald
verbeterd. De
ingreep in het
middelste pand,
Y-point, is
uitgevoerd
zonder respect
voor het
terughoudende,
sobere,
karakter van
het voormalige
pakhuis. Voor
de verticale,
in het
gevelvlak
liggende
deurenrijen
zijn gesloten,
halfronde
uitbouwen
geplaatst.
Vorm,
kleurstelling
en
materiaalgebruik
vloeken met de
omgeving. Van
een
eigenzinnige
oplossing door
de
verantwoordelijke
architect is
geen sprake
door de
armetierige en
weinig
originele
uitvoering.
Bovendien
doorbreekt het
rijtje plastic
uitbouwen de
ruimtelijke
werking van de
aaneengesloten
rij pakhuizen.
In verband met
de
oost-westsituering
van de straat
is voor het
aanzicht van de
gevels de
voortdurend
veranderende
lichtval met de
loop van de zon
sterk bepalend.
Vooral het
strijklicht
tegen de
avondschemering
wordt nu
gehinderd.
Het Oranje
Nassauveem is
gebouwd tegen
het eveneens in
1898
opgeleverde
bedrijfspand
van de NV
Papier en
Carton
Industrie,
voorheen Meijer
en Couv?e op
nummer 12. Op
een gevelsteen
wordt nog de
eerstesteenlegging
in februari
1898
gememoreerd.
Dit huidige
kopgebouw is
minder
bijzonder dan
het voormalige
Oranje Nassau
Veem. In de
buitenmuren
steken
gemetselde
kolommen iets
naar voren. Ze
laten het
bouwskelet
zien. De
gevelgeleding
is aan alle
drie de zijden
dezelfde. Een
neo-classicistische
opbouw typeert
het gebouw; een
nauweljks
gearticuleerd
tympaan,
oftewel de
driehoek op de
gevel, bekroont
de middenbeuk.
De twee
zijbeuken zijn
identiek en
iets lager
uitgevoerd.
Architect is J.
A. van Straaten
(1865-1920).
Hij heeft in
Amsterdam veel
kantoor- en
andere
utiliteitsgebouwen
gerealiseerd.
Als katholiek
kreeg hij in
1911 de
opdracht de
stadsvilla van
de familie
Dreesmann op de
hoek van de
Johannes
Vermeerstraat
en het
Museumplein te
bouwen.9 Zijn
meest geslaagde
ontwerp is de
in 1989/90
afgebroken
voormalige
Simplex-rijwielfabriek
aan de
Overtoom, een
sober en
evenwichtig Art
Nouveau-ontwerp.
In een
eventuele
uitbreiding met
dit pand
voorziet de
directie van
Het
Nederlandsche
Veem door de
vloeren van
nummer 10 op
gelijke hoogte
te stellen met
die van nummer
12. Vanaf 1936
zijn beide
gebouwen in
gebruik bij de
NV.10 Na de
oorlog gaat
Nedveem op in
de firma
Pakhoed, die de
gebouwen in
1978 verlaat.
Aan het gebouw
is in de loop
der tijd veel
verbouwd. Na de
overname in
1936 worden de
meeste ramen
belangrijk
verkleind, dit
komt het
verband in het
metselwerk ten
goede. De in
het muurvlak
gemetselde
rondbogen
hebben ook die
functie. Ter
versterking
zijn extra
muurankers in
de
buitenkolommen
geplaatst. Bij
de recente
renovatie in
1990 zijn
enkele ramen
weer vergroot.
'Neostilistische
architectuur'
Aan de
Nederlandse
bouwkunst
tussen 1890 en
1940 leveren
Roelof
(1855-192?) en
Foeke
(1871-1954)
Kuipers met hun
broer Tjeerd
(1857-1942) een
aan de
tijdgeest
getrouwe
bijdrage.
Kerken,
watertorens,
woonhuizen,
kantoren en
utiliteitsgebouwen
als het Veem
ontwerpen ze in
een breed scala
aan
neo-stijlen. Ze
komen uit een
familie van
Friese
verveners en
timmerlieden.
Hun vader
Egbert Roel
Kuipers is als
kleine aannemer
bekend met het
bouwen in
veenpolders.
Door de
landbouwcrisis
in de jaren
zeventig en
tachtig van de
19de eeuw neemt
het werk af in
het zwaar
getroffen
Friesland.
Amsterdam
breidt in die
tijd sterk uit
en er is
behoefte aan de
ervaring van
aannemers/architecten
met het bouwen
in drassige
grond. In 1884
verhuist Egbert
Roel met zijn
gezin naar de
hoofdstad. Voor
de droogmakerij
de Middenpolder
bij Ouderkerk
bouwt hij een
stoomgemaal. De
oudste zoon
Roelof
ontwikkelt zich
tot
architect-ingenieur;
hij bouwt
series
watertorens in
geheel
Nederland. De
tweede zoon
Tjeerd bouwt
vooral kerken.
Een rijtje
herenhuizen aan
de Roemer
Visscherstraat
in Amsterdam is
zijn
opmerkelijkste
werk (1894).
Karstkarel en
Terpstra noemen
het project de
'apotheose van
het
neostilisme'.
Samen vormen de
panden een
pan-Europees
architectonisch
panorama: een
Engelse
cottage, een
Hollands
renaissancehuis,
een Russisch
kathedraaltje,
een Italiaans
palazzo, een
Spaans-Moorse
villa, een
Frans
Loire-chateautje
en een
Beiers-Gothisch
fantasiehuis
dat het goed
zou doen op een
Anton
Pieckprent.
Een degelijk
havenpakhuis
Zo frivool mag
een degelijk
havenpakhuis
natuurlijk niet
zijn, ofschoon
Foeke Kuijpers,
de jongste van
de drie broers,
in de
detaillering
van zijn
gebouwen rond
1900 graag Art
Nouveau
elementen
toepast. Roelof
is
verantwoordelijk
voor de
sterkteberekeningen
en het overige
ingenieurswerk.
Het grondplan
meet 28 x 62
meter. Op
gietijzeren
kolommen met
een onderlinge
afstand van
ruim vijf meter
rusten uit hout
en staal
samengestelde
moerbalken.
Dwars hierop
liggen zware
grenen
vloerbalken.
Foeke ontwerpt
de gevels in
een overwegend
neo-romaanse
stijl
(boogvenster,
vierkante
hoekbekroningen,
ronde
halftorens aan
de kadezijde,
kantelen op de
torentjes). Ook
neemt hij de
indeling en
afwerking van
het gebouw voor
zijn rekening.
Aan de Van
Diemenstraat
vertoont de
gevel een
symmetrische
opbouw.
De strenge
raamindeling
wordt
doorbroken door
vijf verticale
deurenrijen. In
de
oorspronkelijke
uitvoering
staat boven elk
van deze
toegangen een
vierkant
erkertorentje,
dat iets naar
voren springt.
Alleen het
middelste stond
niet op het
dak, maar
steekt vanuit
de derde
verdieping naar
voren. De
tweede en
vierde rij
waren voorzien
van uit de
gevel stekende
schachten ten
behoeve van
inpandige
liften. Deze
ombouwen en de
beide buitenste
torentjes zijn
in de loop der
jaren
verdwenen,
omdat enkele
hijsinrichtingen
overbodig
werden. Het
levendige, de
monotonie van
een vlakke
gevelwand
doorbrekende,
karakter heeft
het gebouw toch
behouden. Bij
de renovatie in
1990 zijn de
bouwvallig
geworden
daktorens, die
hun functie
allang verloren
hadden,
gelukkig
behouden
gebleven. Ze
zijn opnieuw in
de
oorspronkelijke
stijl
opgemetseld.
Eclecticisme en
Art Nouveau
De noord- of
kadezijde is
sinds de
oplevering in
1898 nauwelijks
veranderd. De
noordzijde
heeft een
opmerkelijk van
de zuidzijde
verschillende
opbouw.
In
tegenstelling
tot de
symmetrische,
kasteelachtige
monumentale aan
de Van
Diemenstraat
past Foeke
Kuipers aan de
kade het
traditionele
beeldidioom toe
van Amsterdamse
pakhuisgevels
sinds de
zestiende eeuw.
Puntgevels
overhuiven de
vijf identieke
deurrijen. Ze
zijn door vier
eveneens
identieke
gevelvlakken
doorbroken. De
ronde torens op
de beide hoeken
van het gebouw
verschillen
echter sterk.
Beide herbergen
trappenhuizen.
In de
rechtertoren is
met een kleine
aanbouw
voorzien in een
kantoorruimte
voor de
opzichter. Hier
wordt de in het
gehele gebouw
toegepaste gele
baksteen met
lichtroze
hardsteen
afgewisseld. De
verschillende
bouwmassa's
hebben
onderling geen
regelmatige
verhoudingen.
Dit duidt op
een eclectische
keuze voor
historische
bouwstijlen met
lichte
eigentijdse Art
Nouveau-invloeden.
Het
rechtertorentje
doet
bijvoorbeeld
denken aan de
wijze waarop
Kromhout de
hoektoren in
het American
Hotel (1902) op
het Leidseplein
vanuit het
gebouw laat
oprijzen.
In de
toegevoegde
details zijn
Art
Nouveau-kenmerken
nog te
herkennen. In
het hek voor de
toegangsdeur
zijn sierlijke,
aan de natuur
ontleende
lijnen tot een
vlechtwerk
aaneengesmeed.
Ook het helaas
verdwenen
smeedijzeren
hek op het dak
met de naam van
het gebouw is
op deze wijze
uitgevoerd. De
belettering en
de gestileerde
vogels als
versiering aan
de uiteinden
zijn
stijlzuiver.
Hier en daar
zijn in het
oorspronkelijke
schrijnwerk,
zoals de
voordeur nog
sporen terug te
vinden.
Het mooiste
voorbeeld van
de tijdgeest is
in een papieren
bron terug te
vinden. Ter
gelegenheid van
de
ingebruikneming
van het gebouw
geeft de
directie van de
NV Het
Nederlandsche
Veem in juni
1898 een
bescheiden
fotoatlas uit.
Alle foto's
zijn afgebeeld
in getekende
Art
Nouveaulijsten,
om hun directe
eenvoud wekken
ze bijna
vertedering op.
Drs Maurits Nibbering is kunsthistoricus met als specialisatie architectuur- en beeldgeschiedenis. Hij was nauw betrokken bij het behoud, herstel en hergebruik van Het Olympisch Stadion in Amsterdam. Nibbering heeft een productiemaatschappij voor beeldhistorische producties en was directeur van een kunststichting in Deventer.
Het boekje werd
door Dani?l Mok
gedrukt op de
Heidelberger
GTO van De
Appelbloesem
Pers; ook de
lithografie
kwam uit zijn
handen.
Ingeborg
Seelemann
verzorgde op
zijn
aanwijzingen
het zetwerk en
gebruikte
daarvoor de
letter Joanna
van Eric Gill.
Het boekje werd
genaaid en
gebrocheerd
door
Kloosterman
Boekbinders te
Amsterdam.