Esther Jansma (1958) wist al jong dat ze later archeologe wilde worden ('Ik vond archeologie zo'n mooi woord en piramiden fascinerend') en schrijfster ('die mensen kunnen alles waarmaken').
Na een niet-afgeronde studie filosofie werd ze inderdaad archeologe.
Ze ontwikkelde na haar opleiding een methode om de ouderdom van houten voorwerpen vast te stellen door middel van onderzoek van jaarringen.
Ze brengt die methode in praktijk bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek.
Het taal maken van beelden wat ze als dichteres doet, noemt ze ook een vorm van archeologie.
Naar beelden en taal is het ten slotte graven in je hoofd.De wens om schrijfster te worden, leverde toen ze een jaar of achttien was verhalen op 'allemaal heel erg in de trant van Frederik van Eeden, Arthur van Schendel en zo'.
Breyten Breytenbachs verhalenbundel De boom achter de maan en boeken van Boris Vian waren een 'eye-opener' voor haar.
Breytenbachs bundel deed haar beseffen 'dat je in literatuur gelegitimeerd gek mag zijn'.
Het droeg er toe bij dat ze toen ze twintig was, stopte met verhalen schrijven die niet voldeden, en zich geheel aan po?zie ging wijden.In een uitgebreid vraaggesprek in Vrij Nederland in 1994 over 'de geboorte van een dichter' antwoordde Esther Jansma op een vraag naar de scholing van een dichter dat haar scholing wellicht werd gevormd door haar eerste twee bundels.
'Daarin wemelt het van autobiografische details, priv?-associaties, en daar wil ik van loskomen.' De eerste bundel, Steen onder mijn bed, verscheen in 1988 nadat er vanaf 1984 gedichten van Jansma verschenen waren in diverse literaire tijdschriften.
Uit de recensies sprak waardering voor deze eersteling die werd getypeerd als veelzijdig, intens, vluchtig, anekdotisch en verrassend door de wijze waarop er over herkenbare zaken werd geschreven.
Ik hul haar in weefsels van woorden /
Ik wil dat ze ademt van taal
Regels uit de proloog van Bloem, steen (1990), Jansma's tweede bundel.
Deze stond geheel in het teken van een zeer ingrijpende persoonlijke ervaring: het moeder worden van een doodgeboren kind.
Dat schrijven over een dergelijk thema risico's inhoudt, omdat in kritieken al gauw het verwijt van sentimentaliteit kan opklinken, realiseerde Jansma zich terdege.
Dat gebeurde dan ook wel, maar er was ook waardering.
E?n criticus schreef: 'In Esther Jansma is, ik geloof het vast, de nieuwe Vasalis opgestaan.'Bloem, steen verscheen in 1990 bij De Arbeiderspers. Hoewel het boekje na ruim een jaar uitverkocht was, zag de uitgeverij af van een tweede druk. In 1993 kreeg ik de rechten op de bundel terug. Daar zou ik het bij gelaten hebben, als de bundel niet in een aantal opzichten uniek zou zijn geweest.
Bloem, steen is een moedige, zelfs enigszins optimistische, poging om iets waar het verstand bij stilstaat - de dood van een kind, of liever gezegd: het met zichzelf botsende beeld van een kind dat dood is - met behulp van het verstand (woorden, redenaties, ritmes) in kaart te brengen. Zo'n bij voorbaat tot mislukken gedoemde poging juich ik van harte toe; deze herhaalt in het klein waar het bij mensen ook in het groot om lijkt te gaan: het feit dat we ons hele leven lang ons best doen om te leven, maar intussen donders goed weten dat we er over honderd jaar niet meer zullen zijn. Leven, weten wij, helpt niet tegen de dood. Toch leven we.
Nadenken helpt niet tegen de dood, weet de 'ik' die Bloem, steen bij elkaar denkt en praat. Toch denkt ze na, toch praat ze. Ruim twintig gedichten lang slaat ze met haar hoofd tegen de muur van de raadsels die we 'tijd' en 'werkelijkheid' noemen. Dat doet ze omdat zij er is, omdat tijd en werkelijkheid er zijn, omdat het verstrijken van de tijd - dat onze geliefden uit de werkelijkheid van dit 'nu' het verleden inschopt, ons hoofd vol herinneringen in - ons zo ongeveer alles ontneemt behalve het vermogen daar vragen bij te stellen. Dat op dergelijke vragen geen blijvend antwoord bestaat, maakt de spreekster niet uit. Het gaat haar om het vragen zelf, de taal die ze daarbij gebruikt, de woorden waaruit ze haar kortstondige beeld houwwerkjes optrekt.
Tien jaar na mijn debuut als dichter moet ik concluderen dat deze houding niet alleen de spreekster in Bloem, steen kenmerkt, maar doorwerkt in al mijn boeken, inclusief mijn proza, en dat Bloem, steen binnen mijn oeuvre de eerste consistente neerslag van deze houding vertegenwoordigt.
E.J. November 1997
Ook in Jansma's vierde bundel, Hier is de tijd (1998), zijn diverse gedichten opgenomen over het verlies van een kind.
Over haar derde bundel Waaigat (1993) oordeelde Jansma zelf dat haar gedeeltelijk gelukt was wat ze beoogd had: loskomen van het autobiografische en proberen beelden te bevrijden uit de nog ongevormde materie in haar hoofd.
In Waaigat figureren heel uiteenlopende figuren (van een ijskoningin tot zelfs een dode Latijns-Amerikaanse dictator), worden - ook geografisch gezien - grenzen overschreden en zijn diverse literaire verwijzingen opgenomen.
'Een felle, veelzijdige, kleurige bundel, waar leven en dood met gelijke kracht in aangeblazen worden,' zo besloot Rob Schouten zijn bespreking in Vrij Nederland.
In Hier is de tijd schuwt Jansma spectaculaire beelden evenmin.
Ook deze bundel is zeer gevarieerd en bevat, naast gedichten over een jonggestorven kind, liefdesgedichten, natuurgedichten en haast sprookjesachtige 'po?zievertellingen'.In het al genoemde interview met Vrij Nederland in 1994 herinnerde Esther Jansma zich hoe ze, twee of drie jaar oud, aan een tafel zat en voor koningin speelde.
Ze stelde zich voor dat ze kon schrijven: 'Met een potlood krast ze vermoedens van letters op een vel papier. De Koningin van het Land schrijft de Wetten.' Een dergelijke sc?ne komt ook voor in Picknick op de wenteltrap (1997), haar als roman gepresenteerde prozadebuut.
Van een traditionele romanvorm is geen sprake, maar intrigerend is het zeker.
Picknick op de wenteltrap bestaat uit 107 schetsen van gemiddeld nog geen pagina lang.
Toch is de aanduiding roman niet vreemd: er is een verhaallijn en het hoofdpersonage maakt ook zeker een ontwikkeling door.'Het hoofdpersonage' is in feite een te absolute aanduiding.
In het boek klinken de stemmen van drie figuren die men kan zien als afsplitsingen van een opgroeiend meisje.
De meest centrale stem is die van 'het Hoofd', zo aangeduid nadat ze op de eerste pagina's heeft ontdekt met haar hoofd te denken: 'Ik ben dat hoofd.' Dan is er 'Oud', de stem van het meisje dat al 'weet hoe de dingen gaan'.
En 'de Romanticus' is de dromer en twijfelaar, die vaak als 'hij' opgevoerd wordt.
De drie stemmen zijn voortdurend met elkaar in gesprek over de wereld, in een poging grip te krijgen op de dingen.
De stemmen gaan met elkaar in discussie en spreken elkaar tegen.
Zo drukken ze de verwarring uit die verbonden is met opgroeien.
Ze proberen vat te krijgen op de betekenis van woorden, op abstracte begrippen als tijd, afstand, taal en dood en op hun angsten.
Een rode draad vormt de slechte relatie tussen de ouders, resulterend in het vertrek van de vader die zo in de fantasie van de 'stemmen' meeging, en zijn dood na een ongeval.In een notitie achterin Picknick op de wenteltrap verklaart Jansma dat ze voor dit boek 'vrij geput heeft uit sprookjes, rijmpjes en (herinneringen aan) kinderboeken'.
Veel van de schetsen in het boek hebben wat sprookjesachtigs.
Er zijn onder andere verwijzingen naar het werk van Lewis Carroll en H.C. Andersen, naar de verhalen uit duizend-en-een-nacht en naar versjes als 'In Holland staat een huis'.
In prachtige taal en via hele concrete beelden cre?ert Jansma geloofwaardige impressies van hetgeen er omgaat in een kinderhoofd, waar de vragen over elkaar heen tuimelen. Dat levert een prachtig 'kinderboek voor volwassenen' op.In een wat andere versie uitgezonden op LiTTerair, de literaire rubriek van NOS Teletekst (pagina's 405 en 406), op 9 december 1997.
De Stichting
voor de
Nederlandse
Archeologie
(SNA) rijkt
jaarlijks
tijdens het
'Reuvensdagen'-congres
de W.A. Van
Es-prijs uit
aan een
veelbelovende
jonge
onderzoeker.
Voor de prijs
komen
scripties,
dissertaties en
overige
publicaties in
aanmerking.
Deze prijs is
in 1987
ingesteld door
de toenmalige
minister van
WVC en vernoemd
naar professor
Van Es,
voormalig
directeur van
de Rijksdienst
van het
Oudheidkundig
Bodemonderzoek.
Prijswinnaars
ontvangen een
geldbedrag en
een oorkonde.
De W.A. Van
Esprijs 1997
is
toegekend aan
dr. Esther
Jansma (ROB).
Zij kreeg de
prijs voor haar
proefschrift
'RemembeRINGs:
The Development
and Application
of Local and
Regional
Tree-Ring
Chronologies of
Oak for the
Purposes of
Archaeological
and Historical
Research in the
Netherlands',
waarop ze in
december 1995
cum laude
promoveerde aan
de Universiteit
van Amsterdam.
Het bekroonde
proefschrift
handelt over
dendrochronologie,
een
kwantitatieve
methode waarmee
jaarringen in
hout op het
jaar nauwkeurig
gedateerd
kunnen worden.
In Jansma's
onderzoek stond
het dateren van
eikenhout
centraal. Met
behulp van ca.
1000
jaarringpatronen
van eikenhout
uit Nederlandse
context maakte
ze kalenders
die nu als
standaard
kunnen worden
ingezet voor
het dateren van
eikenhout uit
zowel
archeologische
(steentijd,
ijzertijd,
Romeinse tijd
en
middeleeuwen)
en
bouwhistorische,
als natuurlijke
(d.w.z.
geologisch of
klimatologisch
relevante)
contexten. De
jury had grote
bewondering en
waardering voor
het feit dat
Jansma niet
alleen
Nederland
dendrochronologisch
heeft
ontsloten, maar
dat ze ook ons
land een
prominente
plaats heeft
gegeven binnen
de Europese
dendrochronologie.
Voordrachten voor de prijs kunnen worden toegestuurd aan de secretaris van de jury, p/a prof. dr. L.P. Louwe Kooijmans, Faculteit Pre- en Protohistorie, Postbus 9515, 2300 RA Leiden.
December 1997
De gedichten in
deze bundel
cirkelen rond
het kind dat
ontstond en
dood werd
geboren, rond
een afwezigheid
tenslotte. Ze
zijn in drie
afdelingen
gerangschikt,
plus een
gedicht als
proloog en een
als epiloog,
een goede
compositorische
weergave van de
verwerking van
dit
tegennatuurlijke,
dat leven niet
tot leven komt.
Geopend wordt
met: 'Ik hul
haar in weefsel
van woorden' de
toonzetting. In
de eerste
afdeling de
schrijnende
verwoording van
de kennismaking
met het dode
kind en de pijn
van niet in te
vullen
ouderschap. In
de tweede woede
en navenante
verbeeldingen,
iets moeilijker
mee te beleven
dan die in
beide andere.
De derde
afdeling is een
trefzekere
taaluiting van
de relatie tot
het begraven en
steeds meer als
stilte
bestaande kind.
Een bundel die
ontroert zonder
sentimenteel te
worden.
Aan deze heruitgave is een kort nawoord van de dichteres toegevoegd.
? 1998 Stichting NBLC, Inge Lievaart
Elk jaar heeft
zijn eigen
klimaatkarakteristiek.
Het dateren van
oud hout door
het opsporen
van patronen in
de onderlinge
afstanden
tussen
jaarringen
lijkt voor de
hand te liggen.
Toch heeft het
heel lang
geduurd voordat
de
dendrochronologie
een betrouwbaar
en breed
toepasbaar
instrument voor
de archeologie
en bouwhistorie
werd.
Hoe dat zit is
het onderwerp
van het
proefschrift
waarop Esther
Jansma
(werkzaam bij
de Stichting
RING en bekend
van de
controverse
rond de
datering van
het vermeende
Kasteel van de
Heren van
Amstel) op 4
december aan de
Universiteit
van Amsterdam
cum laude
promoveerde.
Jansma gaat in
haar
proefschrift in
op de
systematische
problemen
binnen het
jaarringonderzoek.
En dat zijn er
niet weinig.
Het grootste
probleem is de
standaard: hoe
leid je uit
incidentele
gevallen van
concrete
monsters, die
onder sterk
wisselende
lokale
omstandigheden
bepaalde
jaarringdiktes
vormden, een
gemiddelde af?
Anders gezegd,
hoe scheid je
een algemeen
signaal
(macroklimaat:
een zachte
winter tussen
twee hete, maar
natte zomers)
van een
bijzonder
signaal
(microklimaat
bijvoorbeeld:
een of meer
bomen op een
bepaalde plek
met bijzondere
omstandigheden:
nat, zeewind,
zandige grond
enzovoorts)?
Daar komt nog
bij dat in
bepaalde
perioden hout
op grote schaal
kan zijn
ge?mporteerd.
De
referentiegroep
moet je dan in
een buitenland
zoeken. Ook
krijg je een
extra probleem
wanneer er van
kaphout uit een
bepaald bos
maar ??n
voorbeeld is.
De
omstandigheden
kunnen daar
zodanig zijn
geweest, dat er
wel een
specifiek
jaarringpatroon
ontstaan is,
maar dat dat
nergens aan
opgehangen kan
worden. Jansma
heeft deze
problematiek
voor honderden
houtmonsters
van in
Nederland
gebruikt
eikehout
aangepakt voor
een periode van
meer dan
drieduizend
jaar, onder
meer door er
statistische
modellen van
elders
(Duitsland,
Engeland,
Verenigde
Staten) op los
te laten.
Op basis van
'correlatietechnieken'
kon een groot
aantal losse
jaarring
patronen in
eikehout uit de
Nederlandse
prehistorie,
IJzertijd,
Romeinse tijd
en middeleeuwen
aan elkaar
worden
gevlochten. Het
resultaat is
onder meer een
verfijning van
de methode: in
de Nederlandse
prehistorie
zijn er voor
een interval
van een eeuw
minstens 15
jaarringpatronen
nodig (op
sommige
plaatsen in
Engeland 25, in
de VS 4). We
hebben nu een
bijna
doorlopende
jaarringkalender
(nog altijd
eiken) voor de
Nederlandse
archeologie:
een van 2258
tot 1141
v.Chr., een
voor 325 v.Chr.
tot 563 na
Chr., en een
hele goede voor
de latere
periode (tot
1752), die
echter erg
mager is voor
de periode tot
1000 na Chr. Er
zit alleen nog
een flink gat
in het eerste
millennium voor
de jaartelling.
E. Jansma,
'RemembeRINGs:
The Development
and Application
of Local and
Regional Tree
Ring
Chronologies of
Oak for the
Purposes of
Archaeological
and Historical
Research in the
Netherlands',
academisch
proefschrift,
Universiteit
van Amsterdam,
4 december;
promotoren:
prof.dr. J.
Strackee,
prof.dr. W.
Groenman--van
Waateringe.