Dieptetheologie
A. J. Heschel
Waar kan
religie
gevonden
worden? Wat is
haar wezenlijke
karakter? Wat
is haar
bestaanswijze?
Kunst is te
vinden in
kunstschatten
zoals die
bijvoorbeeld in
musea te zien
zijn.
Literatuur is
te vinden in
boeken zoals
die in
bibliotheken
be?waard
worden. Maar
waar is de
plaats van
religie?
Bevat?ten
zichtbare
symbolen zoals
die in tempels
bewaard worden,
leerstellingen
en dogma's
zoals
opgetekend in
boeken, de
religie in haar
totaliteit?
Het lijkt ongerijmd om religie te beschouwen als een af?zonderlijke, op zichzelf staande grootheid, als een Ding an sich. Het is inderdaad een aangeboren zwakheid van religie dat het geen aanstoot neemt aan de afzondering van God, dat het vergeet dat het werkelijke heiligdom geen muren heeft. Gods?dienst heeft vaak geleden onder de neiging een doel op zichzelf te worden, het heilige af te schermen, kortzichtig te worden, zelfingenomen, ego?stisch. Alsof het niet de bedoeling heeft de menselijke aard te verfijnen, maar de macht en pracht van zijn instellingen te vergroten of het aantal leerstel?lingen uit te breiden. Godsdienst heeft vaak meer gedaan om vooroor?delen heilig te verklaren dan om te strijden voor de waarheid, om het geheiligde te doen verkillen dan om het alledaagse te heili?gen. Toch is het de taak van de godsdienst om een uitdaging te zijn voor stabilisering van waarden.
Godsdienst is verschraald tot instelling, symbool, theologie. Het houdt geen verband met de voor-theologische toestand, de voor-symbolische diepte van het bestaan. Om de ontwikkeling weer in goede banen te leiden, moeten wij ontsluieren wat een religieus bestaan inhoudt. We moeten de situaties terugvin?den die voorafgaan aan en beantwoorden aan de theologische for?muleringen. We moeten ons de vragen herinneren, die godsdien?stige leerstukken proberen te beantwoorden, de dingen die voorafgaan aan religieus engagement, de vooronderstellingen van geloof. Het is dus een belangrijke taak van de godsdienstfilosofie om de vragen waarop de godsdienst antwoord geeft, opnieuw te ontdekken. Het onderzoek zal moeten gebeuren door zo?wel in het bewustzijn van de mens te graven als te zoeken in de lessen en opvattingen van de religieuze traditie. Het dringende vraagstuk is niet al?leen de waarheid van religie, maar ook het vermogen van de mens om de waarheid van religie te ontdekken, de echt?heid van religieuze betrokkenheid. Religieuze waarheid ver?spreidt geen licht in het luchtledige. Zij is zeker niet waarneembaar wanneer alles wat aan religieus inzicht en religieuze toe?wijding voorafgaat, is weggeteerd. Of wanneer de geest verblind is door ideologie?n die de ultieme vragen van de mens verduisteren of in een vals daglicht stellen. Zij is onzichtbaar wanneer het leven zo geleefd wordt dat het leidt tot misbruik en verspilling van de goudmijnen, de uitdagende hulpbronnen van het menselijke bestaan. Het voornaamste probleem van de theologie is voor-theolo?gisch; het is de algehele situatie van de mens en zijn opvattingen over het leven en de wereld. Vanuit dit gezichtspunt moeten wij beseffen dat er in de religie vier dimensies zijn.
Wat zijn de vier dimensies van het religieuze bestaan? Zo op het oog lijkt religie maar uit twee onderdelen te bestaan: ritueel en mythe, sacrament en dogma, daad en Schrift. Het belang van deze onderdelen staat bui?ten kijf. De nadruk die in verschillende geloofssystemen op ??n van bei?de gelegd wordt, duidt al op de onmisbaarheid van beide. Voor sommigen ligt de waarheid van de religie in zijn ritueel. De Franse socioloog Emile Durkheim (? 1917) en de Schotse theoloog W. Robertson Smith (? 1894) leggen de nadruk op de voorrang van rituelen boven geloof. Voor anderen ligt het wezen van de religie in zijn dogma. Zo schrijft John Henry Newman (? 1890) in zijn Apologia pro vita sua uit 1865: ?Sinds mijn vijftiende jaar is het dogma het basisprincipe van mijn godsdienst geweest. Ik ken geen andere godsdienst. Ik kan mij niet verplaatsten in het denkbeeld van welke andere vorm van godsdienst dan ook. Religie als een gevoel zonder meer is in mijn ogen een droom en een aanfluiting.?
Er is echter een andere component die als het essenti?le be?standdeel kan worden beschouwd, maar die door zijn on?meetbaarheid vaak aan het oog ont?snapt. Het is datgene wat zich in de persoon voordoet. Het is de in?nerlijkheid van religie. Vaag en niet altijd te om?schrijven is het ?t hart van het religieuze bestaan. Ritueel en mythe, dogma en daad blijven uiterlijkheden. Behalve als er een reactie komt uit het gemoed, een moment van identiek zijn, van religieuze doordrenking en verinnerlijking.
Wij moeten verschil maken tussen vier dimensies van religieus bestaan, vier noodzakelijke onderdelen van de relatie van de mens met God:
1 Het onderwijs, waarvan de hoofdzaken zijn samengevat in de vorm van een geloofsbelijde?nis. De geloofsbelijdenis bevat maatstaven en principes over geheiligde of eeuwige dingen: de dimensie van de leer.
2 Ge?loof, innerlijkheid, het oogmerk van het hart, de intimiteit van religie: de dimensie van het persoonlijke.
3 De wet of de ge?heiligde handeling die in het heiligdom verricht moet worden, in de samenleving of thuis: de dimensie van de daad.
4 De omge?ving waarin geloof, geloofsbelijdenis en ritueel functioneren, zoals de gemeenschap of het verbond, de geschiedenis, de tra?ditie: de dimensie van de transcendentie.
Zijn deze dimensies altijd aanwezig? Er zijn situaties waarin de dimensie van diepte ont?breekt: het woord is verkondigd, de daad is verricht, maar de ziel zwijgt. Er zijn ook situaties waarin met het gevoel niets ge?beurt, maar de hele ziel in vuur en vlam staat. Sommigen me?nen dat de objectieve verrichting zo geheiligd en doelmatig is, dat de innerlijke deelneming er weinig toe doet. Wat is de waarde van de vluchtige reactie van ??n enkeling, vergeleken met de majesteit van een geopenbaard woord, de kostbaarheid van een ritueel? Anderen beschouwen het innerlijke ogenblik als het essenti?le beginsel of het hoogtepunt van het bestaan. Het ritueel als leervak lijkt op de fonetiek, de klankleer. Het dogma als leervak lijkt op de spraakkunst, de leer van de ver?buiging en vervoeging van taal. Terwijl de innerlijke reacties als leervak lijken op de semantiek, de leer van de betekenissen. Zie hierover ook: Man is not alone (1951) p. 167 e.v.
Wij hebben geen woord voor het begrijpen van deze momenten, de gebeurtenissen die de geheime geschiedenis van de religie uitmaken, of voor de geschriften waarin deze mo?menten zijn vastgelegd. Theologie is de leer over God, maar deze goduleuze momenten zijn geen stelsel en ook niet uitsluitend godde?lijk. Zij zijn zowel menselijk als goddelijk. De Psalmen zijn geen theologische documenten. De Psalmen zijn de geboorte?wee?n van de theologie Hun woorden zijn loodlijnen die tot in de diepte van de goddelijk-menselijke situatie reiken, waaruit de echte theologie oprijst.
Theologie heeft dikwijls geleden onder een eenzijdige be?langstelling voor het dogma, de inhoud van het geloven. De daad van het geloven, de vraag - wat gebeurt er in de mens om geloof teweeg te brengen? Wat betekent het om te geloven? ?liggen op het terrein van een bijzonder soort van onderzoek, dat 'dieptetheologie' genoemd kan worden.
Het onderwerp van de theologie is de inhoud van het geloof. Het onderwerp van de dieptetheologie is het geloven zelf. Haar doel is immers de diepte van het geloof te onderzoeken, de voe?dingsbodem waaruit het geloof opkomt. Zij houdt zich bezig met daden die aan het onder woorden brengen voorafgaan en zich niet laten omschrijven.
Op deze wijze kunnen vele vraagstukken van het religieuze bestaan op twee manieren bekeken worden: uit het oogpunt van de dieptetheologie en uit het oogpunt van de theologie.
Het beginsel dat Mozes de schrijver is van de Pentateuch be?rust op twee vooronderstellingen:
Ten eerste dat Mozes een pro?feet was, dat wil zeggen, ge?nspireerd door God, de ontvanger van goddelijke openbaring
Ten tweede dat Mozes de Penta?teuch schreef. De eerste hypothese gaat over een mysterie dat wij ons niet kunnen voorstellen en ook niet kunnen om?schrijven. De tweede hypothese gaat over een handeling die in termen van tijd en ruimte beschreven kan worden. Theologie zou de nadruk leggen op de tweede aanname, dieptetheologie op de eerste.
Wonderen gebeuren gelijktijdig op twee terreinen: op het terrein van tijd en ruimte en op het terrein van de ziel. Moet al?leen een gebeurtenis in de natuurlijke wereld als een wonder beschouwd worden, terwijl de verwondering van de mens over het wonder, de verlichting van de ziel, als van minder belang moet worden gezien?
Toen het volk Isra?l de Rode Zee doortrok, gebeurden er twee dingen: de wateren spleten en tussen de mens en God was elke afstand verdwenen. Er was geen sluier, geen vaagheid. Er was alleen zijn aanwezigheid: Dit is mijn God, riep de Is?ra?liet uit. De meeste wonderen die in de ruimte gebeuren, gaan in het hart verloren. Het wonder van de Rode Zee werd een lied, 'Het lied van de Schelfzee' .
Theologie verklaart, dieptetheologie roept op. Theologie vraagt geloof en gehoorzaamheid. Dieptetheologie hoopt op weerklank en waardering.
Theologie houdt zich bezig met duurzame feiten. Dieptetheo?logie houdt zich bezig met ogenblikken. Dogma en ritueel zijn duurzame bezittingen van de religie; ogenblikken komen en gaan. Theologie abstraheert en generaliseert. Zij bestaat los van alles wat er in de wereld gebeurt. Zij behoedt het erfgoed. Zij bestendigt traditie. Maar zonder de spontaniteit van de persoon, weerklank en innerlijke eenwording, zonder de steun van het verstaan, verdwijnt de hele traditie als zand tus?sen de vingers. Wat is de uiteindelijke aard van de geheiligde woorden, die door de traditie beschermd wordt? Deze woorden zijn niet van papier gemaakt, maar van leven. De opdracht is niet om in geluid weer te geven wat in lettertekens bewaard is. De opdracht is het weer tot leven brengen, de levensader te voe?len kloppen, zodat het leven in de woorden zich in onze levens voort?plant. Er is inderdaad een erfdeel van inzicht zoals er een tradi?tie is van woorden en rituelen. Het is een erfdeel dat gemakke?lijk verspeeld en vergeten wordt.
Wij houden ons verre van dieptetheologie omdat haar onder?werpen niet gemakkelijk onder woorden te brengen zijn, omdat wij bang zijn voor vaagheid. Er bestaat geen casu?stiek, er zijn geen algemene morele wetten die van toepassing zijn op ieders innerlijke leven afzonderlijk. De innerlijke roerselen van de mens zijn niet in een wetboek te vangen. Intussen zou een leven, dat geheel zou zijn blootgelegd, een ziel die doelma?tig georganiseerd zou zijn, van zijn hulpbronnen zijn afgesne?den.
Theologie spreekt voor de mensen. Dieptetheologie spreekt voor de enkeling. Theologie streeft naar communicatie, naar universaliteit. Dieptetheologie streeft naar inzicht, naar het weergaloze.
Theologie is als beeldhouwkunst, dieptetheologie als muziek. Theologie is in de boeken. Dieptetheologie is in de harten. De eerste is leer, de laatste een gebeurtenis. Theologie verdeelt ons. Dieptetheologie verenigt ons. Dieptetheologie probeert de persoon te ontmoeten op momenten waarbij de hele persoon betrokken is, in ogenblikken die be?nvloed zijn door alles wat een persoon denkt, voelt en doet. Zij put uit wat een mens overkomt op momenten waarin hij oog in oog staat met de laatste werkelijkheid. Op zulke momenten worden beslissende inzichten geboren. Sommige van deze inzichten laten zich in een concept vastleggen, terwijl voor andere ons conceptueel vermogen ontoereikend is.
Om deze inzichten over te brengen moet de mens een taal gebruiken die verenigbaar is met zijn gevoel voor het onzegba?re en waarvan de bewoordingen niet willen beschrijven, maar aanduiden. Iets aangeven, maar niet vastleggen. Deze bewoor?dingen getuigen niet altijd van scheppingskracht. Vaak zijn zij paradoxaal, radicaal of negatief. Het grootste gevaar voor de godsdienstfilosofie is de verleiding om wat wezenlijk uniek is te generaliseren, om wat naar zijn aard onverklaarbaar is te verklaren, om het ongewone aan ons gewone verstand aan te passen.
Dieptetheologie waarschuwt ons tegen intellectuele eigenge?rechtigheid, tegen zelfverzekerdheid en zelfvoldaanheid. Zij legt de nadruk op de ontoereikendheid van ons geloof, op de dis?harmonie van dogma en mysterie. De diepte van inzicht is nooit ge?peild, nooit onder woorden gebracht. Wie kan zeker zijn van zijn eigen geloof? Of wie kan de Eeuwige vinden in de spiegel van zijn concepten?
Er is een verhaal over een Hasid, die luisterde naar een spe?cialist op het gebied van de middeleeuwse joodse scholastiek, die uitweidde over de eigenschappen van God en met logische nauwkeurigheid uiteenzette welke uitingen van God voorspel?baar zijn. Toen de verhandeling ge?indigd was, merkte de Ha?sid op: 'Als God zo zou zijn als jij hem beschreef, zou ik niet in Hem geloven...'
Omdat de speculatieve theologie zich bezig houdt met het voor eens en voor altijd onder woorden brengen van geloofsvoorstel?lingen, loopt zij steeds het gevaar zichzelf te ernstig te nemen, te geloven dat zij een adequate uitdrukking heeft gevonden op een gebied waar geen woord ooit toereikend is.
Volgens de maatstaven van de speculatieve theologie lijken de beeldspraak en de taal van Psalm 19 verwerpelijk. Stellig zijn woorden als 'Koning', 'Schepper', 'Meester' aannemelij?ker, omdat ze het oppergezag en de majesteit van God uitdruk?ken evenals de afhankelijkheid van de mens van hem. Hierte?genover sluit het woord 'Herder' niet alleen de afhankelijkheid van de mens van God in, maar ook Gods behoefte aan de mens. De schapen verwachten van de herder onderdak, voedsel en be?scherming. In dezelfde tijd is het welzijn van de herder nauw verbonden met het welzijn van de schapen. Voor hem beteke?nen zij melk, vlees, kleding en materi?le overvloed.
Zoals hierboven gezegd, is de inhoud van het geloof het on?derwerp van de theologie. Het geloven zelf is het onderwerp van de dieptetheologie. Het eerste noemen wij geloof, het tweede geloofsbelijdenis of dogma. Geloofsbelijdenis en geloof, theolo?gie en dieptetheologie zijn van elkaar afhankelijk.
Waarom zijn dogma's noodzakelijk? Wij kunnen geen nau?we band onderhouden met de werkelijkheid van het god?delijke, behalve in zeldzame, vluchtige ogenblikken. Hoe kun?nen deze ogenblikken worden vastgehouden voor de lange uren van het dagelijkse leven, als de gedachtes die zich als bijen voe?den met het ondoorgrondelijke ons verlaten en wij zowel het zicht als de voortvarendheid verliezen? Dogma's zijn als het barnsteen waarin bijen die vroeger leefden, vereeuwigd zijn en die plotseling in heftige beweging gebracht kunnen worden wanneer onze zielen wor?den blootgesteld aan de kracht van het onzegbare. Want de problemen waarmee wij altijd worstelen zijn: hoe kunnen wij deze zeldzame ogenblikken van inzicht aan alle uren van ons leven doorgeven? Hoe kunnen wij intu?tie in concepten neer?leggen, hoe kunnen wij het onzegbare verwoorden, hoe maken we het contact met het onzegbare begrijpelijk voor het verstand? Hoe brengen we onze inzichten aan anderen over, om ons te vereni?gen in een broederschap van geloof. De geloofsbelijdenis pro?beert dit vraagstuk op te lossen.
De inzichten van de dieptetheologie zijn vaag. Vaak ont?trekken zij zich aan formulering en uitdrukking. Het is de taak van de theologie de leerstukken vast te stellen, samenhang tot stand te brengen en woorden te vinden die verenigbaar zijn met de inzichten. Daartegenover vertonen theologische leer?stukken de tendens een eigen leven te gaan leiden, een vervanging voor inzicht te worden, informatief te zijn in plaats van suggestief. Wij moeten ervoor zorgen dat beide een onafhankelij?ke positie heeft, met een eigen kracht en doelmatigheid, die beide in staat stelt iets in de samenwerking bij te dragen.
En toch heeft de mens dikwijls van een dogma een god ge?maakt, een gesneden beeld dat hij vereerde, waarvoor hij bad. Hij wilde liever geloven in dogma's dan in God en hij diende hen niet omwille van de hemel, maar omwille van een geloofs?belijdenis, de verkleinde vorm van geloof.
Dogma's zijn het aandeel in het goddelijke van de arme ziel. Een geloofsbelijdenis is bijna alles wat een arm mens heeft. Huid om huid, hij zal zijn leven geven voor al wat hij heeft. Ja, wellicht is hij bereid andere mensen hun leven te ontnemen als zij weigeren zijn dogma's te delen.
Dieptetheologie kan een doodlopende weg worden, de cata?combe van subjectivisme. Om een weg te zijn die leidt van mens tot mens, van generatie tot generatie, moet zij zich uit?kristalliseren en de vorm aannemen van een leerstuk of begin?sel. Theologie is de kristallisatie van de inzichten van diepte?theologie .
Maar kristallisatie kan leiden tot verstening. De duurzaamheid van het dogma heeft vaak zwaarder gewogen dan de spontaniteit van de persoon.
De vitaliteit van godsdienst hangt af van het levend hou?den van de polariteit van leer en inzicht, van dogma en geloof, van ritueel en reactie, van instelling en enkeling. Godsdienst ontaardt als het schouwspel in de plaats komt van spontaniteit, als gedoe de plaats inneemt van de innerlijke ruimte.
De innerlijke ruimte is niet autonoom. Alles wat zich in de persoon voltrekt, wordt be?nvloed door gedachtes en feiten die van bui?ten komen. Zonder theologie als inhoud, is de innerlijke ruimte leeg of verwordt tot geestelijk narcisme.
De beide gebieden be?nvloeden elkaar. De theologie moet ons bijvoorbeeld leren of de wereld van God is, een emanatie van zijn wezen, of dat de wereld door God is, een schepping van zijn wil.
Of er tussen God en mens een verhouding bestaat waarin zij tegenover elkaar staan of dat er een dimensie is waar God en mens elkaar ontmoeten - en boven alles: wat vraagt God van de mens? Dieptetheologie moet ons leiden bij het ervaren van zowel onszelf als de wereld in het licht van de instructie die wij ontvangen, bij het omzetten van een gedachte in gebed, van een leerstuk in een persoonlijke reactie, om een mysterie op te vatten als een uitdaging, een probleem als een oproep gericht aan onze innerlijke ruimte.
Een naar buiten gerichte activiteit kan zich in afzondering voltrekken. Een innerlijke activiteit vindt nooit in afzonde?ring plaats. Er zijn geen muren in de innerlijke ruimte. Alle krachten en beweegredenen werken op elkaar in. Rechtvaardigheid en boosheid zijn elkaars spiegelbeeld.
Psalm 23, de Psalm van de Herder, die nauwelijks een bij?drage levert aan de conceptuele theologie, is een van de waar?devolste uitingen van dieptetheologie.
De werkelijk grote gebeurtenissen worden nooit geboek?staafd. De data van de Turks-Griekse oorlog en van de slag bij Jena zijn bewaard gebleven. Maar het ogenblik waarop de re?gel geboren werd: 'De Heer is mijn herder, het ontbreekt mij aan niets', is in de annalen van de geschiedenis niet vermeld. Toch is dat ogenblik nooit voorbijgegaan.
Wat gaat aan religieuze toewijding vooraf? Wat zijn de gemoedstoestanden van iemand, de ogenblikken die ons aanzetten om al tastend te zoeken naar het geloof in de le?vende God?
Geen bespiegeling, maar het gevoel van mysterie bracht het probleem van alle problemen in een stroomversnelling. Niet het klaarblijkelijke, maar het in het klaarblijkelijke verborgene; niet de blauwdruk van het heelal, maar het mysterie van de blauwdruk van het heelal; niet de omschrijfbare onderwerpen, maar de niet-omschrijfbare raadsels, de vragen die wij niet kunnen stellen zijn altijd olie op het vuur van de menselijke on?rust geweest. Religie begint met het gevoel van het onzeg?bare, met het besef van een werkelijkheid die onze trots in rook doet opgaan.
De wereld lijkt twee gezichten te hebben. Levend in het ene rijk komt het ons voor dat het gezicht van de wereld naar ons is toegewend. Levend in het andere rijk, lijkt het alsof de wereld met zijn rug naar ons toe staat. Als bewoners van twee werelden moeten wij allen een dubbele loyaliteit hooghouden: wij voelen het onzegbare in de ene wereld; wij benoemen en gebruiken de werkelijkheid in het andere. Het handhaven van het juiste evenwicht tussen mysterie en betekenis, tussen stilte en spre?ken, tussen eerbied en handelen, lijkt het doel van het religieuze bestaan. Niet alleen de aanblik van de sterrenhemel, maar ook van de myriaden en grassprieten maakt het ons onmogelijk in?tellectueel lichtzinnig te zijn. Onze wijsheid wordt spinrag, ons begrip rudimentair. De ervaring van het verhevene is zowel berouwvol als extase.
Het gevoelige evenwicht tussen mysterie en betekenis, tussen eerbied en handelen, is gevaarlijk verstoord. Onze kennis is vervlakt. Wij zien de wereld in ??n dimensie en behandelen alle problemen net zo. Uit het feit dat wij geleerd hebben de petroleumlamp te vervangen, hebben wij afgeleid dat wij het mysterie van het bestaan kunnen vervangen. Wij zijn misschien in staat met muizen te experimenteren, maar niet om met gebed te experimenteren.
Met het mysterie bedoel ik niet het feit dat de wereld waarin wij leven niet ophoudt bij die eigenschappen die gemeten, op?geteld, afgetrokken, vermenigvuldigd kunnen worden. Met het mysterie bedoel ik een dimensie van alle wezens met inbegrip van de meetbare aspecten van wezens ?n het meten zelf. Het is gegeven met en binnen de ervaring.
Het mysterie is niet iets dat kleeft aan de dingen die nog niet bekend zijn, maar iets dat nooit bekend zal zijn. Het is iets wat wij zien, maar waar wij geen relatie mee kunnen aan?knopen. Wij staan in zijn bijzijn, maar kunnen zijn wezen niet doorgronden. Wij zijn als doven die de geluiden zien, maar niet kunnen horen.
Het gevoel voor het mysterie geeft grootsheid aan de geest en vruchtbaarheid aan de ziel. Wij verlammen het karakter van de mens, wij kwetsen zijn ziel door te doen alsof er geen dieptes zijn in de werkelijkheid en geen afgronden in het menselijke denken.
Gevoeligheid voor het mysterie van het leven is het wezen van de menselijke waardigheid. Het is de grond waarin ons be?wustzijn zijn wortels heeft en waaruit een gevoel voor betekenis wordt verkregen. De mens leeft niet alleen van verklaringen, maar van het gevoel van verwondering en mysterie. Zonder dit gevoel is er geen religie, moraliteit, offer of schep?pingsvermogen.
Je gaat de poorten van de religie niet binnen door de deur van de spraak. De weg tot God voert door de dieptes van het zelf. De ziel is een sleutel. De diepte is de deur. Er is een gebed in de diepte van de ziel, een aanroeping, een kreet om zin, een verlangen naar de komst van rechtvaardigheid.
Er is maar ??n gerechtvaardigde vorm van religieuze uit?drukking: het gebed. Alle andere manieren zijn commentaren: beschrijvingen, verhandelingen worden al snel afleidingsmanoeuvres.
De elementen van dieptetheologie zijn die situaties waarin de deur naar uiteindelijke betekenis niet op slot zit, waarin het mysterie niet verhuld is. Deze elementen bestaan uit verwonde?ring en ontzag, een gevoel van schatplichtigheid, ogenblikken van verlegenheid en ogenblikken van leven, die zwanger van betekenis zijn, daden, ingegeven door een sterk verlangen, en glanzende ogenblikken van inzicht.
Het doel van dieptetheologie is dus niet het opstellen van een leerstuk, maar het blootleggen van enkele wortels van ons wezen, daartoe bewogen door de ultieme vraag. Haar onderwerp is geloof in statu nascendi, de ba?renswee?n van het inzicht.
Een van de kostbaarste gaven die de mensheid van de bijbel ontving, is een slecht geweten. De bijbel verlangt het uiterste ?'Wees heilig'; 'Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht '; 'Heb je naaste lief als jezelf'. Wie zou tevreden kunnen zijn over zijn prestaties? Geen stem is authentieker dan het verwijt van de profeet over verwaandheid, de profetische oproep tot inkeer. 'Ik ben voor JOU als een vat vol schaamte.'
Wij beseffen onze hachelijke toestand als wij ontdekken dat wij zeer weinig om onze naaste of om God geven. Wat uitermate belangrijk is voor ons, is niet onze grootste zorg. Ons gevoel van verlegenheid en schatplichtigheid komt voort uit een gevoel van waardering. Er is geen uiteindelijke schroom zonder intu?tie van grootheid, zonder besef van de grandeur en het mysterie van een uiteindelijke zin. Zie hierover ook Who is man?
Schatplichtigheid is een teken van waardigheid, van ont?vanger te zijn van iets kostbaars en dat in beheer te hebben. Onze uiteindelijke verlegenheid is een teken dat wij betrokken zijn in een mysterieuze opzet. De mens is beschaamd, omdat het zijn bestemming is een goddelijk beeld te weerspiegelen en niet een karikatuur. Als mens te bestaan, betekent het goddelij?ke bij te staan. Om het goddelijke te doen, moet de menselijke factor aanwezig zijn.
Geen mens is onvruchtbaar. Elke ziel is zwanger van een zaadje van inzicht. Het is vaag en verborgen. Geen moeder heeft ooit het leven gezien dat zij onder het hart draagt. In som?mige mensen groeit het zaad, in anderen kwijnt het weg. Som?migen baren leven. Anderen hebben een miskraam. Sommigen weten voort te brengen, te verzorgen en een ontstaand inzicht op te kweken. Anderen weten een ongeboren kind niet te koes?teren en weer anderen zien het kind dat zij ter wereld brengen niet. Het kind kan bij de geboorte sterven of weggenomen wor?den.
Een dergelijke zwangerschap is een besef van de volheid des tijds, van een zinvol zijn. Dingen zijn wonderen, ogenblikken zijn tekenen van genade. Er is een overvloed van liefde in Gods verborgenheid. Geen schaduwen kunnen een hart, dat dronken is van vreugde, misleiden. De stilte is de getuige van de Onnoembare. Alle geluid is verstomd.
Er is kracht in het zaad. Soms heft het ons hoog op en is het alsof wij van bergtop tot bergtop wandelen. Op andere ogen?blikken wenst men zich in een hoek te verstoppen, te verdwij?nen van schaamte. Het is zowel een lied in het hart als een behoefte.
Men herkent de verwachtingsvolle mens door het teken van het lied.
Wij zijn in verwachting van een gedachte waarvoor wij geen beeld hebben. Wij zijn begiftigd met een lied, dat wij niet kunnen aanheffen, met een woord dat wij niet kunnen spellen. Dan slaan wij een Psalm op en daar is het lied en het woord. Alleen zodat het lied in ons kan groeien. Wij gieten het in een daad. Wij vor?men het tot woorden, maar het lied raakt nooit uitgeput.
Wat wij moeten doen, is het lied koesteren in de schuilhoe?ken van de ziel. Ondanks alle teleurstellingen is er een zeker?heid dat wij, als wij het goede doen, nooit alleen zijn. Wij be?minnen met de Levende, die de wereld bemint.
Dieptetheologie,
de eerste van
een serie
college?s
gegeven aan de
universiteit
van Minnesota,
Minneapolis,
waar de auteur
in het voorjaar
van 1960
gasthoogleraar
was.
Gepubliceerd in
Cross
Currents,
najaar 1960.
The insecurity
of freedom:
essays on human
existance,
New York,
Schocken Books
1972
Onzekerheid
in vrijheid,
Houten, Den
Haan 1989